PROGRAMMA
Gesualdo Moro,
lasso
Petrassi Nonsense
1,3,5
Monteverdi Sfogava
con le stelle
Werle Canzone
126 di Francesco Petrarca
Pauze
Binchois Se
la belle
Amours,
merchi
Fletcher H
Debussy Trois
Chansons
Poulenc Sept
Chansons
Kamerkoor venus
onder leiding van Peter Dijkstra
Woerden, vrijdag 25 juni, Lutherse kerk
Utrecht, zaterdag 26 juni, Leeuwenberghkerk
VOORWOORD
Meer madrigalismen
Het madrigaal, dat in de zestiende eeuw in Italië ontstond, is een
kunstvorm waarin de muziek de inhoud van een wereldlijke tekst -
bijna altijd is er liefde in het spel - zo mooi mogelijk tot
uitdrukking brengt. Bij voorkeur namen componisten hiervoor een
expressief en beeldend gedicht bij de hand. Woorden, zinnen en
emoties ervan vertaalden ze vervolgens in passende muzikale gebaren en
effecten: madrigalismen.
Op dit concert worden composities uitgevoerd die volgens dit principe tot stand
kwamen. Natuurlijk zijn er meesters uit de Renaissance te horen (Binchois,
Monteverdi en Gesualdo), maar ook de twintigste eeuw kent veel koormuziek die
vanuit dezelfde gedachte geschreven is. De Zweedse componist Werle koos een
gedicht van Petrarca, de dichter waarmee het in de zestiende eeuw eigenlijk
allemaal begonnen is.
Debussy mengde de ideeën uit de Renaissance met zijn eigen
harmonieën. De muziek van de twintigste eeuw heeft veel nieuwe
uitingsmogelijkheden gebracht en er ontstaan nog altijd meer
madrigalismen. Poulenc en Petrassi wisten die in hun persoonlijke
stijl effectief te gebruiken. De Amerikaanse componist Fletcher
levert met een werk dat hij voor venus
schreef, het meest recente
madrigalisme.
Carlo Gesualdo
Moro, lasso, al mio duolo is één van de
bekendste madrigalen van Carlo Gesualdo (1560/62 - 1613). Het bevat dan ook de
beruchte en - voor zijn tijd op zijn minst - waanzinnige harmonieën en
structuur van zijn composities. Het werd in 1611 gepubliceerd in Gesualdo’s
zesde boek met madrigalen, maar het exacte jaar van ontstaan is niet bekend.
Het zesde boek verscheen een maand na het vijfde, maar tussen het vierde en
vijfde boek gaapt een gat van vijftien jaar. Waarschijnlijk stelde hij - om
onbekende redenen - de publicatie van zijn latere madrigalen uit.
Gesualdo liet zijn muziek, extremer dan zijn tijdgenoten, voortkomen
uit de tekst. Uiteraard wordt de stemming van de tekst in de muziek uitgedrukt,
maar de zinnen zijn door hun betekenis ook aanleiding tot grote verschillen in
tempo. Bovendien krijgen bepaalde woorden zeer veel nadruk. Gesualdo had een
voorliefde voor de thema's ‘dood’ en ‘pijn’ en met Moro, lasso kon hij zich goed uitleven. In de eerste zin gebruikte
hij bijvoorbeeld elf van de twaalf tonen van het octaaf in een snijdende
opeenvolging van akkoorden om duidelijk te maken wat er aan de hand is.
Het is niet met zekerheid te zeggen wie de auteur van de tekst was,
maar Gesualdo gebruikte graag de gedichten van Torquato Tasso (1560 - 1595).
Deze dichter was met hem bevriend en voorzag hem van veel teksten. Niet alleen
om op muziek te zetten, maar ook over het leven van Gesualdo zelf. Diens
levensloop sprak dan ook erg tot de verbeelding. In 1590 had hij zijn vrouw en
haar minnaar vermoord, maar werd daarvoor om politieke redenen niet
terechtgesteld. Gesualdo was ook Don Carlo, principe
di Venosa, een machtig edelman en het was beter dat hij hertrouwde en zou
blijven regeren. Voor zijn tweede vrouw had hij echter nog minder aandacht dan
voor zijn eerste. Daarbij hield hij er vreemde gewoonten op na. Aan het eind
van zijn leven konden de demonen die hem achtervolgden, volgens hem alleen
verdreven worden als hij drie maal per dag hard geslagen werd door twaalf jonge
mannen. Maar alle speculaties over zijn persoon doen niet ter zake als Moro, lasso klinkt. Een hoogtepunt in de
madrigaalkunst.
Moro,
lasso
Moro, lasso, al mio duolo
E chi mi può dar vita,
Ahi, che m’ancide e non vuol darmi aita!
O dolorosa sorte,
Chi dar vita mi può, ahi, mi dà morte!
Ik
sterf, helaas
Ik sterf, helaas, van smart,
En die me leven geven kon,
Ach, zij wenst me niet te helpen en brengt me om!
Oh, smartelijk lot,
Die me geven kon het leven, ach, zij brengt de dood.
Goffredo Petrassi
There was an old man of
Spithead,
Who opened the window, and
said, -
‘Fil-jomble, fil-jumble,
Fil-rumble-come-tumble!’
That doubtful old man of Spithead.
De illustrator en schrijver Edward Lear (1812-1888) bracht met
A Book of Nonsense (1846, 1855 en
1861) en More Nonsense Pictures, Rhymes
Botany & c. (1872) de populariteit van de limerick tot ongekende
hoogten. De term ‘limerick’ werd eigenlijk pas in 1896 voor het eerst gebruikt,
maar in de Middeleeuwen kende men al een vergelijkbare versvorm en in de jaren
twintig van de negentiende eeuw verschenen er boeken met zogenaamde ‘nonsense
verses’, waarin de tegenwoordig bekende structuur al uitgekristalliseerd is. De
versjes - aanvankelijk bedoeld voor kinderen - gingen in die tijd vergezeld van
illustraties en Edward Lear zette deze traditie voort. Ook in zíjn werk vormen
tekst en tekening een onafscheidelijk geheel. Zijn uitzonderlijke tekenstijl en
de omvang van zijn boeken - telkens meer dan honderd gedichten - waren echter
bijzonder.
Veel componisten hebben in de loop van deze eeuw gedichten van Edward
Lear op muziek gezet. Goffredo Petrassi (1904) gebruikte de Italiaanse
vertalingen van A Book of Nonsense en
More Nonsense…van Carlo Izzo voor
zijn a capella koorwerken Nonsense
(1952) en Sesto non-senso (1964). Venus zingt de drie oneven nummers van
de vijf limericks uit het eerste werk .
Goffredo Petrassi, die door geldgebrek pas op latere leeftijd onderwijs
kon volgen, nam pas in 1925 compositielessen. In de jaren daarna bleek zijn
talent snel in eerste uitvoeringen van korte werken. Tegenwoordig dateert
Petrassi het serieuze begin van zijn oeuvre echter in 1933, toen hij zijn Ouverture da concerto reviseerde. Zijn
muziek uit de jaren dertig is zeer expressief en harde dissonanten spelen
hierin een belangrijke rol. Na de Tweede Wereldoorlog werden zijn composities
introverter. Een melodieuze manier van componeren is een belangrijke constante
in zijn oeuvre, die ook de basis vormt voor de beeldende verklanking van deze
onzinnige teksten.
Nonsense
I
There was a young lady, whose nose,
Continually prospers and grows;
When it grew out of sight,
She exclaimed in a fright,
‘Oh! Farewell to the end of my nose!’
C’era una signorina il cui naso
Prospera e cresce come mai fu il caso;
Quando ne perse de vista la punta,
Esclamò tutta compunta:
‘Dio t’accompagni, o punta del mio naso!’
Er was een jonge dame, wiens neus
Continu groeide, 't is heus;
Toen ze 't eind niet meer zag,
Riep ze bang op die dag:
‘Oh, vaarwel lieve punt van mijn neus!’
III
There was an Old Man
of Cape Horn,
Who wished he had never been born;
So he sat on a chair,
Till he died of despair,
That dolorous Man of Cape Horn.
C’era un vecchio di Rovigo
Cui doleva d’esser vivo;
Quindi, pressasi una sedia,
Vi morì sopra d’inedia,
Quel doloroso vecchio di Rovigo.
Er was een oude man in Cape Horn,
Die wenste dat hij nooit was gebor’n;
Daarom zat hij op een stoel,
Van verdriet werd hij koel,
Die wanhopige man in Cape Horn.
V
There was an old person of Stroud,
Who was horribly jammed in a crowd;
Some she slew with a kick,
Some she scrunched with a stick,
That impulsive old person of Stroud.
C’era una vecchia di
Polla
Malamente pigiata
tra la folla;
Alcuni ne uccise a
pedate,
Altri schiacciò a
bastonate,
Quell’impulsiva
vecchia di Polla.
Er was een oude meid
in Stroud,
Tussen mensen kreeg
zij het benauwd;
Sommigen sloeg ze
opzij
Met een stok,
and’ren tot brij,
Die impulsieve oude
meid in Stroud.
Vertaling: Bas
Hagemeijer
Claudio Monteverdi
Claudio Monteverdi (1567-1643) arriveerde in 1589 in Mantua aan het hof
van hertog Vincenzo Conzaga. Giaches de Wert was op dat moment maestro di
capella van het hof dat het brandpunt van de nieuwste ontwikkelingen op
muzikaal gebied was. Monteverdi’s roem steeg snel met de uitgave van zijn
tweede (1590) en derde boek (1592) madrigalen voor vijf stemmen. Het duurde
vervolgens elf jaar voor het vierde boek (1603) verscheen en men vermoedt dan
ook dat die madrigalen in een periode van meerdere jaren voor 1603 zijn
ontstaan.
In het madrigaal Sfogava con le
stelle uit het vierde boek is de invloed van De Wert aanwijsbaar in de
zogenoemde akkoordische recitatief stijl. Dit betekent dat alle vijf stemmen
een zinsnede op één akkoord declameren, zonder dat er een ritme voor de woorden
is voorgeschreven. Zo’n gedeelte is vertellend van karakter en vormt een sterk
contrast met de meer virtuoze, contrapunctische passages. In deze delen zocht
Monteverdi naar een meer beeldende expressie van het woord. De afwisseling,
oftewel het steeds terugnemen van de spanning en het weer laten opbloeien in
dichte polyfone passages intensiveert de emotionele lading.
Sfogava
con le stelle
Sfogava con le stelle un infermo d’amore sotto notturno ciel il suo dolore, e dicea fisso in loro: “O imagini belle de l’idol mio ch’adoro, sí com’a me mostrate mentre cosí splendete la sua rara beltate, cosí mostraste a lei I vivi ardori miei; la fareste col vostr’aureo sembiante pietosa sí come me fate amante”. |
Een klacht kwam tot de sterren van een liefdeszieke man; onder de nachtelijke hemel uitte hij zijn pijn, en sprak tot hen de woorden: “Oh, schone beeltenissen van mijn aanbeden liefste, zoals je mij zo schitterend haar bijzondere schoonheid toont, toon zo ook aan haar mijn hevig brandend vuur; wek haar erbarmen met je gouden schijn, zoals je wekt mijn liefde.” |
Lars Johan Werle
Het begin van Canzone 126 di
Francesco Petrarca (1967) van de Zweedse componist Lars Johan Werle (1926)
lijkt zo overgeschreven van een madrigaal van Gesualdo. Dit is dus geheel in de
stijl van Petrarca's (1304 - 1374) tekst die Werle gebruikte. Maar al snel
worden de woorden in deze polyfone compositie ook verklankt met modernere
effecten, zoals clusters, glissandi en spreken of fluisteren. Ook worden
lettergrepen van één woord nu en dan verdeeld over verschillende stempartijen,
een idee dat Werle als eerste uitgebreid toepaste.
Het gebruik van een veelheid aan (avant-gardistische) stijlmiddelen
binnen één compositie is kenmerkend voor Werle. In het verleden kreeg hij wel
eens de kritiek te horen dat zijn muziek niet consequent zou zijn, maar Werle -
die ook lange tijd als jazzpianist en producer actief is geweest en als self-made componist een brede blik heeft
- vindt dat alle muzikale uitingsvormen die het publiek tegenwoordig kent,
geschikt zijn om iets over te brengen. Ze kunnen uitstekend naast elkaar
gebruikt worden. De communicatieve kracht wordt daar alleen maar groter door.
Werle beleefde zijn doorbraak in 1960 met het strijkkwartet Pentagram, waarin de invloed van de
twaalftoonsmuziek van Anton Webern duidelijk hoorbaar is. Sindsdien heeft hij
vooral veel vocale muziek geschreven, waaronder een aantal opera’s, maar
componeerde hij bijvoorbeeld ook de muziek bij de films Vargtimmen (Hour of the Wolf) en Persona van Ingmar Bergman. Canzone
126 di Francesco Petrarca is de eerste uit een aanzienlijke reeks werken
voor koor a capella.
Canzone 126 di Francesco
Petrarca
Chiare, fresche e dolci acque, ove le belle membra pose colei che sola a me par donna; gentil ramo, ove piacque, con sospir mi rimembra, a lei di fare al bel fianco colonna; erba e fior che la gonna leggiadra ricoverse co l’angelico seno; aere sacro sereno, ove Amor co begli occhi il cor m’aperse: date udienza insieme a le dolenti mie parole estreme. S’egli è pur mio destino (e’l cielo in ciò s’adopra), ch’Amor quest’occhi lagrimando chiuda, qualche grazia il meschino corpo fra voi ricopra, e torni l’alma al proprio albergo ignuda; la morte fia men cruda se questa spene porto a quel dubbioso passo; ché lo spirito lasso non porìa mai in più riposato proto né in più tranquilla fossa fuggir la carne travagliata e l’ossa. Tempo verrà ancor forse ch’a l’usato soggiorno t orni la fèra bella e mansueta e là ‘v’ella mi scòrse nel benedetto giorno volga la vista disiosa e lieta, cercandomi; e, o pièta! già terra in fra le pietre
vedendo, Amor l’ispiri in guisa che sospiri si dolcemente che mercé m’impetre, e faccia forza al cielo asciugandosi gli occhi col bel velo. Da’ rami scendea, (dolce ne la memoria), una pioggia di fior sovra ‘l suo grembo; ed ella si sedea umile in tanta gloria, coverta già de l’amoroso nembo: qual fior cadea sul lembo, qual su le treccie bionde, ch’òro forbito e perle eran quel di a vederle; qual si posava in terra e qual su l’onde qual con un vago errore girando parea dir: “Qui regna Amore.” Quante volte diss’io allor pien di spavento “Costei per fermo nacque in paradiso!” Cosi carco d’oblío il divin portamento e’l vólto e le parole e’l dolce riso m’aveano, e si diviso da l’imagine vera, ch’i’ dicea sospirando: “Qui come venn’io o quando?” credendo esser in ciel, non là dov’era. Da indi in qua mi piace quest’erba sì ch’altrove non ho pace. Se tu avessi ornamenti quant’hai voglia, poresti arditamente uscir del bosco e gir in fra la gente. |
Helder, fris en zoet water waar zij, die voor mij de enige is, haar ledematen neervleide, lieflijke tak die, zoals jij met jouw zuchten in herinnering brengt, haar lichaam steunde; gras en bloemen die door haar bekoorlijke rok en haar engelenborst werden bedekt; gewijde en heldere lucht, waar Amor met zijn mooie ogen
m’n hart verwondde: luistert jullie allen naar mijn droeve laatste woorden. Indien het werkelijk mijn lot is, en de hemel wil dat Amor deze wenende ogen sluit, laat dan enig mededogen dit arme lichaam met jullie* bedekken en laat mijn ziel naakt naar de hemel terugkeren; de dood zal minder wreed zijn door de hoop die ik heb bij het zetten van deze stap vol twijfel, want mijn vermoeide geest zal nooit naar een rustiger haven, noch in een stiller graf zijn gebroken lichaam kunnen ontvluchten. Misschien zal de tijd nog komen dat het schone en zachtmoedige diertje** naar haar gebruikelijke verblijfplaats terugkeert. en daar, waar zij mij zag op die gezegende dag, haar begeerde en vrolijke blik wendt, op zoek naar mij; en, oh! wat een
droevig schouwspel! als zij mij dan ziet wanneer ik reeds stof tussen de stenen ben geworden, laat Amor haar dan beroeren op een wijze dat zij zoet genoeg zucht om genade voor mij af te
smeken, en de hemel tot vergiffenis te
bewegen terwijl ze haar ogen droogt met
haar mooie sluier. Laat uit de takken neerdalen, (zoet in de herinnering), een bloemenregen boven haar schoot, en laat zij daar zitten, nederig in zoveel zoveel glorie, bedekt door deze wolk; één bloem viel op haar zoom, een andere op haar blonde vlechten, die er op die dag uitzagen schitterend als gouden parels; één bloem lag op de grond, een andere op ’t water en weer een andere leek, zwevend door de lucht, te zeggen: “Hier heerst Amor!” Hoeveel keer heb ik toen niet gezegd vol schrik: “Zij moet zeker in het paradijs geboren zijn!” Zodanig deden mij alles vergeten haar goddelijke houding haar gelaat, woorden en zoete lach en zo ver van de werkelijkheid van haar ware persoon dat ik al zuchtend sprak: “Hoe ben ik hier gekomen en wanneer?” want ik meende in de hemel te zijn en niet waar ik echt was. Sinds die tijd houd ik zo van die weide dat ik nergens anders rust vind. Als jij zoveel versieringen bezat als je wilde, dan zou je niets vuriger verlangen dan uit dit bos te treden en je onder de
mensen begeven. * water, tak, gras,
bloemen, lucht ** Laura Vertaling: Kamerkoor Coqu |
PAUZE
Gilles Binchois
Gilles Binchois (c. 1400-1460) werkte vanaf zijn zevenentwintigste aan
het Bourgondische hof van Philips de Goede. Hij wordt vaak in een adem genoemd
met zijn tijdgenoot Guillaume Dufay (c. 1400-1474). Maar terwijl Dufay een
kosmopoliet was die in zijn werken vele stijlen en tradities verwerkte en
verder uitbouwde, is Binchois’ muziek hét voorbeeld van de ‘klassieke’
Bourgondische stijl. Deze stijl kenmerkte zich door elegantie en ingetogenheid.
Het onderwerp van Binchois’ chansons was altijd de hoofse liefde en zijn
religieuze muziek was vooral zeer functioneel voor de liturgie: relatief kort
en zeer verstaanbaar.
Binchois hanteerde in zijn chansons vormstructuren die al in de
Middeleeuwen gangbaar waren. Voor zijn rondeau Amours merchi is dat de vorm ABaAabAB en voor zijn ballade Se la belle aabCaabC (letter = dezelfde
muziek; hoofdletter = dezelfde tekst). Beide chansons zijn driestemmig met een
discantus (hoge stem) die een kwint hoger ligt dan de twee onderstemmen. De
middenstem vormt in gaaf contrapunt met de bovenstem het fundament, en de
onderstem (contratenor) heeft een vrijere rol. Deze stem heeft vaak een grotere
omvang en voegt in alle liggingen verrassende melodieën toe.
Musicologen nemen aan dat alleen de hoge stem de tekst voordroeg en dat
de twee onderstemmen vaak gespeeld werden door een blokfluit, vedel of luit.
Aangezien in de Bourgondische stijl het muzikale evenwicht prevaleerde boven de
emotionele expressie van het woord, zal het verschil in tekst tussen het diep
bedroefde Se la belle en het intens
gelukkige Amours merchi voor de
hedendaagse luisteraar moeilijk waarneembaar zijn.
Se la
belle
Se la belle n’a voloir D’alegier mon piteux martire, Il ne m’est nul besong de rire Pour le mal qui me fait doloir; Car je n’ay cuer, corps ne povoir Qui puist a tel dolour souffrire Se la belle n’a voloir D’alegier mon piteux martire. Et, pour la verité savoir, A toute heure mon mal empire Dont je m’en vois de droite tire Ma mort prochaine rechevoir. Se la belle n’a voloir D’alegier mon piteux martire, Il ne m’est nul besong de rire Pour le mal qui me fait doloir. |
Als de schone mijn beklagenswaardige Pijn niet wenst te verzachten, Helpt er gaan lachen aan De pijn die mij kwelt; Want ik heb niet het hart, het lijf of de kracht Om zulk een leed te dragen Als de schone mijn beklagenswaardige Pijn niet wenst te verzachten. En, als u de waarheid wilt weten, Mijn lijden wordt elk uur groter, Dus ik nader met rasse schreden Mijn voortijdige dood. Als de schone mijn beklagenswaardige Pijn niet wenst te verzachten, Helpt er geen lachen aan De pijn die mij
kwelt. |
Amours
merchi
Amours, merchi de trestout mon pooir
Tant que je puis, quant il ma fait choisir,
A tres douchement et tout a mon voloir,
Agatie m’a un tres riche plaisir.
C’est cune fois que j’en ay souvenir,
Le cuer de moy devient tout joieux.
Prendre ne puis nul espoir doloreux
Si richement l’ay choysi a mon gré
Et par amours que le m’a comandé.
Ik dank de Liefde met heel
mijn hart
Zo vaak als ik kan, want zij
deed me kiezen.
Uiterst aangenaam en geheel
naar mijn wens
Verraste zij me met een rijk
genoegen.
Telkens als ik daaraan
terugdenk
Springt mijn hart op van
blijdschap.
Ik hoef niet meer te
wanhopen,
Zozeer van harte heb ik mijn
keus gemaakt,
Ook voor de Liefde, die mij
dit opdroeg.
Et puisqu’amours veult mon cuer es mon veir
D’estre loial et de bien obeir
Ce le pars que tant de biens puis avoir,
Que par rayson il me doit bien souffrir
Comment d’onques pouraige defallir
Que debeir ne fuisse bien soingneux
De plus doulce ne puis estre amoureux
Que de celuy qui ne suis donné
Et par amours que le m’a comandé.
En daar de Liefde mijn hart
wenst te bewegen
Loyaal te zijn en gehoorzaam
aan
Haar, die zoveel goeds
brengt,
Daar het juist is dat ik
moet lijden,
Hoe zou ik kunnen veinzen
Dat ik niet met graagte
gehoorzaam?
Ik kan van geen zoeter
vrouwe houden
Dan van haar, aan wie ik
mijzelf heb gegeven.
Ook voor de Liefde, die mij
dit opdroeg.
Michael Fletcher
De Amerikaanse componist Michael Fletcher (1972) woont in de staat
Missouri, waar hij ook werd geboren. Hij studeerde compositie aan de Southwest
Missouri State University bij John Prescott. Het jaarlijkse
nieuwe-muziekfestival van zijn universiteit stelde hem in staat cursussen te
volgen bij de Amerikaanse componisten John Corigliano, Todd Levin, Robert
Kogan, and Eric Ewazen. In 1994 kreeg zijn compositie voor koor songs (3) to teXts by e.e. cummings, de
eerste prijs van de Southwestern American Choral Director's Association student
composer contest. Fletcher won met die compositie ook de collegeprijs van de
Music Teacher's National Association.
Als koorzanger was Fletcher in 1997 lid van het World Youth Choir in
Japan. Hij studeert op dit moment koordirectie aan de universiteit waar hij ook
zijn graad in compositie behaalde.
Oscar Vladislas de Lubicz
Milosz en zijn gedicht H
Het gedicht H (1918) dat Fletcher voor venus toonzette is een karakteristiek
voorbeeld van Milosz late werk. Waarschijnlijk is het gedicht een resultaat van
een mystieke gebeurtenis die de dichter in de nacht van 14 december 1914
onderging. Franse taalkundigen verwijzen hiernaar als Milosz’ nacht van verlichting en trekken een
vergelijking met Blaise Pascals nacht van
vuur in 1654. Milosz beschouwde zich na zijn ervaring, totdat hij 18 jaar
later stopte met dichten, als ‘ingewijde’. Zijn gedichten werden in die periode
steeds hermetischer.
Milosz (1827-1939) werd geboren in Litouwen,
maar groeide op in Frankrijk. Hij verkoos later om daar te blijven wonen en
publiceerde in het Frans. Hij was dichter, toneelschrijver, vertaler en
diplomaat van de net onafhankelijk geworden republiek Litouwen. Milosz maakte
ook op scherpzinnige wijze studie van de metafysica, de hermetische doctrine en
de Joodse mystiek. Deze kennis culmineerde in twee monumentale filosofische
werken Ars Magna en Les Arcanes.
H
Le jardin descend vers la mer. Jardin pauvre,
jardin sans fleurs, jardin Aveugle. De son banc, une vieille vêtue
De deuil lustré, jauni avec le souvenir et le
portrait,
Regarde s’effacer les navires du temps. L’ortie,
dans le grand vide
De tuin loopt af naar de zee. Arme tuin, tuin
zonder bloemen, blinde
Tuin. Vanaf haar bankje kijkt een oudje,
gekleed
In glimmende rouw, vergeeld als herinnering
en portret,
Hoe de schepen van de tijd uitvaren. De
brandnetel, in de grote leegte
De deux heures, velue et noire de soif, veille.
Comme du fond du cœur du plus perdu des jours,
l’oiseau
De la contrée sourde pépie dans le buisson de
cendre.
C’est la terrible paix des hommes sans amour. Et
moi,
Van twee uur, harig en zwart van de dorst,
waakt.
Als van de bodem van het hart van de meest
verlorene ooit
Piept het vogeltje van de streek in struiken
van as.
Het is de vreselijke stilte van mensen zonder
liefde. En ik,
Moi je suis là aussi, car ceci est mon ombre; et
dans la triste et basse
Chaleur elle a laissé retomber sa tête vide sur
Le sein de la lumière; mais
Moi, corps et esprit, je suis comme l’ammare
Ik ben daar ook, want dit is mijn schaduw; en
in de trieste en lage
hitte heeft zij haar lege hoofd op
De boezem van het licht laten vallen; maar
Ik, lichaam en geest, ik ben als de
scheepstros
Prête à rompre. Qu’est-ce donc qui vibre ainsi en
moi,
Mais qu’est-ce donc qui vibre ainsi et geint je ne
sais où
En moi, comme la corde autour de cabestan
Des voiliers en partance? Mère
Die op breken staat. Wat is het dat zo trilt
in mij,
Wat is het toch dat zo trilt en kreunt, ik
weet niet waar
In mij, als de lijn om de windas
Van zeilschepen bij vertrek? Moeder,
Trop sage, éternité, ah laissez-moi vivre mon
jour!
Et ne m’appelez plus Lémuel; car là-bas
Dans une nuit de soleil, les paresseuses
Hèlent, les îles de jeunesse chantantes et
voilées! Le doux
Te wijze moeder, eeuwigheid, oh laat me mijn
dagen!
En noem me niet langer Lémuel; want
daarginds,
In een zonverlichte nacht, roepen de lome
vrouwen
de zingende, gesluierde eilanden van de jeugd
aan! Het zachte,
Lourd murmure de deuil des guêpes de midi
Vole bas sur le vin et il y a de la folie
Dans le regard de la rosée sur les collines mes
chères
Ombreuses. Dans l’obscurité religieuse les ronces.
Zware prevelen van rouw van de middagwespen
Drijft laag op de wijn, en er is waanzin
In de aanblik van de nevel op de heuvels,
mijn geliefde
Schaduwrijken. In de religieuze duisternis
Ont saisi le sommeil par ses cheveeux de fille.
Jaune dans l’ombre
L’eau respire mal sous le ciel lourd et bas des
myosotis.
Cet autre souffre aussi, blessé comme le roi
Du monde, au côté; et de sa blessure d’arbre
Hebben de bramen de slaap bij haar
meisjeshaar gegrepen.
Geel in de schaduw
Ademt moeizaam het water onder de zware, lage
hemel van
vergeet-me-nietjes.
Die ander lijdt ook, gewond als de koning
Der wereld, in de zij; en uit zijn boomwond
S’écoule le plus pur désaltérant du cœur.
Et il y a l’oiseau de cristal qui dit mlî d’une
gorge douce
Dans le vieux jasmin somnambule de l’enfance.
J’entrerai là en soulevant doucement l’arc-en-ciel
Vloeit de meest pure dorstlesser van het
hart.
De kristallen vogel is er, hij fluit fiet met
zachte stem
In de oude, onbewuste jasmijn uit de
kindertijd.
Ik zal daar binnengaan, voorzichtig de
regenboog optillend,
Et j’irai droit à l’arbre l’épouse éternelle
Attend dans les vapeurs de la patrie. Et dans les
feux du temps apparaîtront
Les archhipels soudains, les galères sonnantes -
Paix, paix. Tout cela n’est plus. Tout cela n’est
plus ici, mon fils Lémuel.
En ik zal direct gaan naar de boom die de
eeuwige bruid
Wacht in de mist van het vaderland. En in de
vuren der tijden
Zullen de plotse archipels verschijnen, de
trommelende slaven -
Vrede, vrede. Dat alles is niet meer. Dat
alles is niet meer hier, mijn
zoon Lémuel.
Les voix que tu entends ne viennent plus des
choses.
Celle qui a longtemps vécu en toi obscure
T’appelle du jardin sur la montagne! Du royaume
De l’autre soleil! Et ici, c’est la sage
quarantième
De stemmen die je hoort zijn niet meer van de
dingen.
Zij die zo lang zo donker in jou heeft
geleefd
Roept je vanuit de tuin op de berg. Vanuit
het koninkrijk
Van de andere zon! En dit hier is het wijze
veertigste
Année, Lémuel.
Le temps pauvre et long.
Une eau chaude et grise.
Un jardin brûlé.
Jaar, Lémuel.
De arme, lange tijd.
Een water warm en grijs.
Een verbrande tuin.
Claude Debussy
Vanaf het moment dat Claude Debussy (1862 - 1918) op elfjarige leeftijd
aan het conservatorium van Parijs begon te studeren had hij één doel: het
behalen van de Prix de Rome. Met het winnen van deze prijs zou hij beroemd
worden en drie jaar lang kunnen werken in de Villa Medici in Rome. Helaas
maakte hij het zichzelf niet makkelijk met zijn recalcitrante houding tijdens
de compositielessen. Debussy weigerde zich te houden aan wetten van de
klassieke harmonie en bedacht zijn eigen combinaties van akkoorden. Zijn eerste
poging - Printemps voor vrouwenkoor a
capella - werd door de jury als onvolwassen terzijde geschoven. Het jaar daarop
probeerde hij het met Invocations
voor mannenkoor a capella, wat hem de vierde plaats opleverde. In 1884 werd hij
eindelijk eerste met een cantate en mocht hij naar Rome. Het viel hem allemaal
erg tegen. Na er twee jaar ‘in gevangenschap’ te hebben doorgebracht vluchtte
hij voortijdig terug naar Parijs. Hij had een lage dunk van de waarde van de
prijs voor het muziekleven gekregen en meende dat een dergelijk certificat d’imagination de mensheid met
een hoop slechte muziek zou opzadelen.
Toch maakte Debussy in die jaren in Rome kennis met koorwerken uit de
Renaissance. Indrukken die hij daar opdeed zouden belangrijk zijn voor zijn
latere werk. De muziek die hij sinds die tijd componeerde laat meer en meer
elementen horen die vooruit wijzen naar zijn Prélude à l’apres-midi d’un faune (1892 - 94) waarmee hij op
schokkende wijze het grote publiek met een geheel nieuwe muzikale wereld
confronteerde. Zijn werken verschilden zo van wat men tot dan toe gewend was,
dat er een naam aan gegeven moest worden. Debussy werd de grondlegger van het
impressionisme in de muziek. Zelf verafschuwde hij de term.
Na zijn conservatoriumjaren schreef Debussy nog maar zelden voor koor a
capella. Trois chansons de Charles
d’Orleans (1908) is zelfs het enige werk voor deze bezetting dat tijdens
zijn leven gepubliceerd werd. Op drie gedichten van D’Orleans (1391 - 1465)
laat het een combinatie horen van zijn nieuwe harmonische effecten en een
lineaire schrijfwijze die teruggrijpt op de Renaissance.
Trois Chansons
Dieu!
qu’il la fait bon regarder! Dieu! qu’il la fait bon regarder La gracieuse bonne et belle; Pour les grans biens que sont en elle Chascun est prest de la loüer. Qui se pourroit d’elle lasser? Tousjours sa beauté renouvelle. Par de ça, ne de là, la mer Ne scay dame ne damoiselle Qui soit en tous bien parfais telle. C’est ung songe que d’i penser: Dieu! qu’il la fait bon regarer! Quant
j’ai ouy le tabourin Quant j’ai ouy le tabourin Sonner, pour s’en aller au may, En mon lit n’en ay fait affray Ne levé mon chief du coissin; En disant: il est trop matin Ung peu je me rendormiray: Quant j’ai ouy le tabourin Sonner pour s’en aller au may, Jeunes gens partent leur butin; De non chaloir m’accointeray A lui je m’abutineray Trouvé l’ay plus prouchain voisin; Quant j’ai ouy le tabourin Sonner pour s’en aller au may, En mon lit n’en ay fait affray Ne levé mon chief du coissin. Yver,
vous n’estes qu’un villain Yver, vous n’estes qu’un villain; Esté est plaisant et gentil en témoing de may et d’avril qui l’accompaignent soir et main. Esté revet champs, bois et fleurs de sa livrée de verdure et de maintes autre couleurs par l’ordonnace de nature. Mais vous, Yver, trop estes plein de nège, vent, pluye et grézil. On vous deust banir en éxil. Sans point flater je parle plein: Yver, vous ne’estes qu’un villain. |
God heeft haar zo mooi gemaakt, Mijn fijne, goede en mooie lief; Iedereen roemt haar graag Om haar goede eigenschappen. Wie krijgt ooit genoeg van haar? Haar schoonheid is steeds weer nieuw. Noch hier noch overzee Ken ik een meisje Dat zo volkomen is in ieder opzicht. Alleen aan haar denken is al een droom. God heeft haar zo mooi gemaakt. Toen ik de trommel ’s morgens hoorde slaan Om naar de Mei te gaan Luisterde ik niet, vanuit mijn bed En hief mijn hoofd niet van het kussen Ik zei bij mijzelf: “’t Is nog te vroeg Ik draai me nog eens om.” Toen ik de trommel ’s morgens hoorde slaan Om naar de Mei te gaan De jongelui delen hun buit Maar ik zal mij hullen in
onverschilligheid Er is niets wat ik nog begeer Dat is mijn buit ik hoef niet meer. Toen ik de trommel ’s morgens hoorde slaan Om naar de Mei te gaan Luisterde ik niet vanuit mijn bed En hief ik mijn hoofd niet van het kussen. Winter jij bent een vuile hond! De zomer is heerlijk en lief kijk maar naar mei en april die alle uren bij hem zijn. Zomer bekleedt bos en veld met haar kleed van groen en van vele andere kleuren op aanwijzing van de natuur. Maar jij, maar jij , maar jij winter! Jij bent maar vol van sneeuw, sneeuw,
wind en ijzel! Ik neem geen blad meer voor de mond: winter je bent een vuile hond! Vertaling: Gerrit Jan Fonk |
Francis Poulenc
Hoewel Francis Poulenc (1899 - 1963) enige tijd compositielessen volgde
bij Charles Koechlin (1867 - 1951), was hij als componist eigenlijk autodidact.
Door - op ironische wijze - stijlvormen te imiteren ontwikkelde hij gaandeweg
een idioom dat zeer persoonlijk en altijd duidelijk herkenbaar is. Poulenc had
duidelijke ideeën over de muziek die hij wilde schrijven en in de jaren na de
Eerste Wereldoorlog vond hij in vijf andere componisten medestanders in het
nastreven van zijn ideaal: afstand doen van de overdreven emoties uit de negentiende
eeuw en de zweverigheid van het impressionisme. Als ‘Les Six’ vormden ze een
informeel gezelschap dat Erik Satie (1866 - 1925) en het dadaïsme als
voorbeelden nam. De artistieke meningen over kale muziek met eindeloze
herhalingen bleken echter te zeer verdeeld en de groep werd al snel opgeheven.
Naast Poulenc hebben daarna alleen Arthur Honegger (1892 - 1955) en Darius
Milhaud (1892 - 1974) internationaal naam gemaakt.
Van de zes bleef Poulenc nog het meest in de beoogde stijl van ‘Les
Six’ componeren. Dramatiek blijft in zijn muziek altijd binnen de perken en
invloeden van ballroommuziek en jazz ontzenuwen serieuze momenten. Hierdoor
vond menigeen dat zijn composities weinig diepgang toonden. Vanaf de jaren
dertig werden zijn werken echter ingetogener en bleek dat hij met zijn stijl
veel meer uit kon drukken dan vrolijkheid en ironie. Sept chansons (1936) componeerde Poulenc op sombere surrealistische
teksten uit La vie immédiate (1932)
van zijn vriend Paul Eluard (1895 - 1952), die zich door hun dubbelzinnigheid
perfect lenen voor zijn muziek. Voor het eerste en zesde chanson koos hij
teksten van Guillaume Apollinaire (1880 - 1918) uit diens collectie Alcools, poèmes (1898 - 1913). Ze geven
met hun wat lichtere toon tegenwicht aan de donkere teksten van Eluard.
Sept Chansons
La
blanche neige Les anges dans le ciel L’un est vêtu en officier, L’un est vêtu en cuisinier Et les autres chantent. Bel officier couleur du ciel Le doux printemps longtemps après Noël Te médaillera d’un beau soleil. Le cuisinier plume les oies. Ah! Tombe neige, Tombe et que n’ai je Ma bien-aimée entre mes bras. A
peine défigurée Adieu tristesse. Bonjour tristesse. Tu es inscrite dans les lignes du plafond. Tu es inscrite dans les yeux que j’aime. Tu n’es pas tout à fait la misère, car les lèvres les plus pauvres te dénoncent par un sourire. Bonjour, tristesse. Amour des corps aimables. Puissance de l’amour Dont l’amabilité surgit. Comme un monstre sans corps. Tête désappointée. Tristesse, beau visage. Par
une nuit nouvelle Femme avec laquelle j’ai vécu, Femme avec laquelle je vis, Femme avec laquelle je vivrai, Toujours la même, la même. Il te faut un manteau rouge, Des gants roug’ un masque rouge. Il te faut des bas noirs. Des raisons des preuves, De te voir toute nue. Nudité pure, ô parure parée. Seins, ô mon cœur. Tous
les droits Simule L’ombre fleurie des fleurs suspendues
au printemps, Le jour le plus court de l’année
et la nuit esquimau. L’agonie des visionnaires de l’automne, L’odeur des roses, la
savante brûlure de l’ortie. Entends des linges transparents, Dans la clairière de tes yeux. Montre les ravages du feu,
ses œuvres d’inspiré, Et le paradis de sa cendre, Le phénomène abstrait, luttant
avec les aiguilles de la pendule. Montre, les blessures de la vérité, Montre, les serments qui ne plient pas, montre toi. Tu peux sortir en robe de cristal, Ta beauté continue. Tes yeux versent des larmes,
des caresses, des sourires. Tes yeux sont sans secret, sans limites. Simule l’ombre fleurie des fleurs
suspendues au printemps. Belle
et ressemblante Un visage à la fin de jour, Un berceau dans les feuilles mortes du jour. Un bouquet de pluie nue, Tout soleil caché, Toute source des sources au fond de l’eau. Tout miroir des miroirs brisés. Un visage dans les balances du silence. Un caillou parmi d’autres cailloux Pour les frondes
des dernières lueurs du jour. Un visage semblable à tous les visages oubliés. Un berceau dans les feuilles mortes, un bouquet de pluie nue. Tout soleil caché. Marie Vous y dansiez petite fille Y danserez vous mère grand C’est la maclotte qui sautille Toute les cloches sonneront Quand donc reviendrez-vous Marie. Des masques sont silencieux Et la musique est si lointaine Qu’elle semble venir des cieux Oui je veux vous aimer,
mais vous aimer à peine Et mon mal est délicieux. Les brebis s’en vont dans la neige Flocons de laine et ceux d’argent Des soldats passent et que n’ai-je Un cœur à moi ce cœur changeant changeant et puis encor que sais-je. Sais-je où s’en iront tes cheveux Crépus comme mer qui moutonne Et tes mains feuilles de l’automne Que jonchent aussi nos aveux. Je passais au bord de la Seine Un livre ancien sous le bras Le fleuve est pareil à ma peine Il s’écoule et ne tarit pas Quand donc finira la semaine. Quand donc reviendrez-vous Marie... Luire Terre irréprochablement cultivée, Miel d’aube, soleil en fleurs, Coureur tenant encore par un fil au dormeur. (Nœud par intelligences) Et le jetant sur son épaule: “Il n’a jamais été plus neuf, Il n’a jamais été si lourd.” Il sera plus léger, Usure, Utile. Clair soleil d’été avec, Sa chaleur, sa douceur, Sa tranquillité. Et, vite, Les porteurs de fleurs en l’air touchent la terre. Terre irréprochablement cultivée, Miel d’aube, soleil en fleurs, coureur tenant encore par un fil au dormeur. Clair soleil d’été. |
De witte sneeuw De engelen in de hemel De een is als officier gekleed, De ander is als kok gekleed En de anderen zingen. “Mooie officier in hemelkleur De zoete lente speldt je lang na Kerst Een fraaie zonnemedaille op.” De kok plukt de ganzen. Kijk daar valt de sneeuw En waarom nu, heb ik Mijn lief niet in mijn armen. Nauwelijks
misvormd Vaarwel bedroefdheid.
Wees gegroet bedroefdheid. Jij staat gekerfd in de lijnen van ’t plafond. Jij staat gekerfd in de ogen van mijn lief. Toch ben je niet als ellende, Want zelfs de armste lippen Verraden je met een glimlach. Wees gegroet, bedroefdheid Liefde van lieve lijven. Kracht van de liefde, Waarvan de aanvalligheid verrijst. Als een beest zonder lijf. Pruilerig hoofd. Bedroefdheid, mooi gezicht. Op
zekere nieuwe nacht Vrouw met wie ik leefde, Vrouw met wie ik leef, Vrouw met wie ik zal leven, Immer dezelfde, dezelfde. Je moet een rode mantel aan, Rode handschoenen, ’n rood masker. Je moet zwarte kousen aan. Redenen, tekenen, Waarom ik je naakt wil zien. Pure naaktheid, o getooide versiering. Borsten, o mijn hart. Alle
rechten Verbeeld De kleurige schaduw der bloemen, aan de lente opgehangen De kortste dag van het jaar, en de eskimo-nacht De doodstrijd van de zienders van de herfst De geur van rozen,
het wilde branden van de netel. Spreid doorzichtig linnen In de schittering van je ogen. Toon - de schade die het vuur aanricht,
de werken van zijn inspiratie En het paradijs van zijn as Het onbelichaamde verschijnsel dat met
de wijzers van de klok strijdt Toon - de kwetsuren van de waarheid Toon - de preken die niet buigen toon je. Al ga je in kristal gekleed, Je schoonheid blijft, Jouw ogen plengen tranen,
liefkozingen, ’n glimlach Jouw ogen zijn zonder geheimen zonder grenzen. Verbeeld de schaduw der bloemen
opgehangen aan de lente. Mooi
en gelijkend Een gezicht bij het eind van de dag, Een wieg in de dode bladeren van de dag. Een boeket naakte regen, Helemaal gedekte zon, Helemaal bron van bronnen op de bodem van het water. Helemaal spiegel van gebroken spiegels. Een gezicht in de weegschalen der stilte. Een kiezel tussen andere kiezels. Voor de slingers
van de laatste stralen licht. Een gezicht als alle die vergeten zijn Een wieg in de vallende bladeren, een boeket naakte regen. Helemaal bedekte zon. Marie U danste er als kleine meid Danst u er nog als oude vrouw? ’t is de maclotte die daar huppelt en alle klokken zullen luiden: Wanneer kom je weer terug Marie. Maskers lopen zwijgend langs en de muziek is zo veraf dat het lijkt of hij uit de hemel komt. Ja, jou beminnen wil ik,
als het maar niet teveel is want mijn pijn is dan honigzoet De schapen gaan weg in de sneeuw vlokken van wol en van zilver. Soldaten trekken voorbij en had ik maar een hartje voor mijn grillig hart. Wel grillig, verder, weet ik veel Weet ik waar jouw haar heen zal gaan gevlokt als het schuim der zee en je handen bladeren in de herfst bezaaid met geheimen van ons hart. Ik liep langs de oever van de Seine een oud boek onder mijn arm De rivier is als mijn verdriet hij stroomt altijd voort en droogt niet op Wanneer toch is de week voorbij. Wanneer toch kom je weer terug, Marie... Schitteren Onberispelijk bebouwd land Honing van de dageraad, bloeiende zon, Bode, die met een draad nog aan de slaper hangt (Bond van wederzijds begrip) Tilt de zon op haar schouders: Zij is nog nooit zo nieuw geweest Zij is nog nooit zo zwaar geweest Straks zal zij lichter zijn Slijtage, Nuttig. Heldere zomerzon met Haar warmte, haar mildheid, Haar rust En, snel, zijn de bloemdragers in de lucht verwant met de aarde. Onberispelijk bebouwd land Honing van de dageraad, bloeiende zon Bode met een draad vast aan de slaper Heldere zomerzon. Vertaling: Rein de Vries |
Kamerkoor VENUS
Venus is een kamerkoor
van ongeveer 25 leden, dat in 1982 ontstond uit het Vocaal Ensemble Utrechtse
Studenten. Het koor voert vaak nieuwe, twintigste-eeuwse muziek uit en probeert
daarbij een brug te slaan tussen gevestigd repertoire en moderne
(opdracht)-composities. Venus
voert twee programma's per jaar uit, waarbij vooral in het juni-programma de
hedendaagse koormuziek een centrale plaats heeft.
Meestal treedt venus op als a capella koor, maar ook
voert het koor soms werken uit met instrumentale begeleiding en vocale
solisten. De afgelopen jaren heeft venus
de premières verzorgd van composities die (vaak in opdracht) waren
geschreven door Hans Koolmees, Lowell Dijkstra, Calliope Tsoupaki, Nathalie
Boogers, Joost Kleppe en Carlos Micháns. Venus zong onder leiding van Bruno de
Greeve en Daniël Reuss. Sinds september ’98 is Peter Dijkstra vaste dirigent.
Peter Dijkstra (1978) begon op jonge leeftijd met zingen in het Roder
Jongenskoor. Tot zijn stemmutatie nam hij de meeste solopartijen voor zijn
rekening en trad hij vaak op als solist. In 1987 werkte hij mee aan een
productie van Mozarts Die Zauberflöte
bij de Nederlandse Operastichting, waar hij in een geënsceneerde uitvoering de
rol van ‘Erster Knabe’ zong. Verder werkte hij als jongenssopraan samen met
onder andere Gustav Leonhardt, Sigiswald Kuyken en Max van Egmond in een
volledige serie Bachcantates in Amsterdam (‘Bach op Zondag’).
Momenteel studeert hij aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag
met als hoofdvakken koordirectie en solozang (bij respectievelijk Jos van
Veldhoven en Jos Vermunt, en Meinard Kraak). Hij is dirigent van het Nationaal
Kinderkoor, het Leiderdorps Kamerkoor, Vocaal Ensemble venus uit Utrecht, de mannengroep Men Only uit Roden en
projectkoor Schola Cantorum Rhodensis. Verder is hij actief als repetitor van
het Nederlands Studenten Kamerkoor. In maart 1999 was hij gastdirigent aan het
Conservatoire Nationale Supérieure de Musique te Lyon, waar hij de Mattheüs
Passion van Bach uitvoerde in een samenwerkingsproject met het conservatorium
van Parijs.
Naast verscheidene solistische optredens zingt hij regelmatig in
ensembles als het Huelgas Ensemble, Collegium Vocale Gent, Capella Amsterdam en
de Nederlandse Bachvereniging. Hij zong onder dirigenten als Philippe
Herreweghe, Paul van Nevel, Paul McCreesh en Ivan Fischer. In 1997 en 1998 was
hij tevens lid van het Wereld Jeugd Koor, dat concerteerde in Japan, Taiwan en
de Filippijnen.
Tenor
gezocht
Venus
heeft nog plaats voor enkele tenoren. Wie komt ons versterken of weet een tenor
die graag wil meezingen?
Contactpersonen:
Monique Janssens (voorzitter), tel. 030-272 24
71, e-mail: jtp@knoware.nl
Liesbeth van Eijndhoven (secretaris), tel.
030-276 11 99
Leden van venus
Sopranen Cinta de Bats Edith van Eijndhoven Marilin Elsenaar Monique Janssens Carolien Krikhaar Natascha Morsink Janneke Verloop Alten Jetske Drijver Liesbeth van Eijndhoven Saskia Hallenga Karina Hendriks Mariët van Linschoten Hilde Wijers |
Tenoren Hilair Balsters Koert Braches Vincent Jonker Bassen David Boersma Dick Bruinsma Bas Hagemeijer Willem Hoekstra Rik Kaarsgaren Wim Köhler Han Verhaegh |
Dit concert kwam mede tot stand door bijdragen van:
Carel Nengerman
Fonds
Elise Mathilde Fonds
K.F. Hein Fonds
VSB Fonds
Voorts ontvangt het koor regelmatig steun van:
AnjerfondsUtrecht
Fentener van
Vlissingen Fonds
Gemeente Utrecht
Kien-Subsidies
M.A.O.C. Gravin van
Bylandt Stichting
Ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
Provinciaal Utrechts
Genootschap van Kunsten en wetenschappen (PUG)
Venus-vriend
Venus
brengt
ieder jaar twee concertseries, waarvoor het koor financiële steun van
subsidiënten krijgt. Deze subsidies zijn niet kostendekkend, zodat het koor
graag een beroep doet op onze enthousiaste luisteraars om ons financieel te
steunen. Met uw steun kan venus compositieopdrachten
verstrekken aan jonge componisten en bladmuziek aanschaffen.
U kunt venus-vriend worden door per jaar
minimaal ƒ 35,- over te maken op gironummer 4251522 t.n.v. venus, Utrecht. Ook kunt u bij de kassa van deze concertzaal een acceptgiro invullen.
Als vriend krijgt u informatie over alle concerten toegestuurd en u krijgt
korting op uw kaartje voor het concert.
Kamerkoor venus
Postbus 521
3500 AM Utrecht
e-mail:
fi.uu.nl/~vincent/venus
Teksten: Bas Hagemeijer, Han Verhaegh
Advertenties: Jetske Drijver
Productie: Cinta de Bats