PROGRAMMA

 

 

 

Gesualdo                       Moro, lasso

 

Petrassi                         Nonsense 1,3,5

 

Monteverdi                   Sfogava con le stelle

 

Werle                            Canzone 126 di Francesco Petrarca

 

 

 

Pauze

 

 

 

Binchois                        Se la belle

                                      Amours, merchi

 

Fletcher                         H

 

Debussy                        Trois Chansons

 

Poulenc                         Sept Chansons

 

 

 

 

 

 

 

Kamerkoor venus onder leiding van Peter Dijkstra

 

Woerden, vrijdag 25 juni, Lutherse kerk

Utrecht, zaterdag 26 juni, Leeuwenberghkerk


 


VOORWOORD

 

Meer madrigalismen

 

Het madrigaal, dat in de zestiende eeuw in Italië ontstond, is een
kunstvorm waarin de muziek de inhoud van een wereldlijke tekst -
bijna altijd is er liefde in het spel - zo mooi mogelijk tot
uitdrukking brengt. Bij voorkeur namen componisten hiervoor een
expressief en beeldend gedicht bij de hand. Woorden, zinnen en
emoties ervan vertaalden ze vervolgens in passende muzikale gebaren en effecten: madrigalismen.
Op dit concert worden composities uitgevoerd die volgens dit principe tot stand kwamen. Natuurlijk zijn er meesters uit de Renaissance te horen (Binchois, Monteverdi en Gesualdo), maar ook de twintigste eeuw kent veel koormuziek die vanuit dezelfde gedachte geschreven is. De Zweedse componist Werle koos een gedicht van Petrarca, de dichter waarmee het in de zestiende eeuw eigenlijk allemaal begonnen is.
Debussy mengde de ideeën uit de Renaissance met zijn eigen
harmonieën. De muziek van de twintigste eeuw heeft veel nieuwe
uitingsmogelijkheden gebracht en er ontstaan nog altijd meer
madrigalismen. Poulenc en Petrassi wisten die in hun persoonlijke
stijl effectief te gebruiken. De Amerikaanse componist Fletcher
levert met een werk dat hij voor venus schreef, het meest recente
madrigalisme.


Carlo Gesualdo

 

Moro, lasso, al mio duolo is één van de bekendste madrigalen van Carlo Gesualdo (1560/62 - 1613). Het bevat dan ook de beruchte en - voor zijn tijd op zijn minst - waanzinnige harmonieën en structuur van zijn composities. Het werd in 1611 gepubliceerd in Gesualdo’s zesde boek met madrigalen, maar het exacte jaar van ontstaan is niet bekend. Het zesde boek verscheen een maand na het vijfde, maar tussen het vierde en vijfde boek gaapt een gat van vijftien jaar. Waarschijnlijk stelde hij - om onbekende redenen - de publicatie van zijn latere madrigalen uit.

Gesualdo liet zijn muziek, extremer dan zijn tijdgenoten, voortkomen uit de tekst. Uiteraard wordt de stemming van de tekst in de muziek uitgedrukt, maar de zinnen zijn door hun betekenis ook aanleiding tot grote verschillen in tempo. Bovendien krijgen bepaalde woorden zeer veel nadruk. Gesualdo had een voorliefde voor de thema's ‘dood’ en ‘pijn’ en met Moro, lasso kon hij zich goed uitleven. In de eerste zin gebruikte hij bijvoorbeeld elf van de twaalf tonen van het octaaf in een snijdende opeenvolging van akkoorden om duidelijk te maken wat er aan de hand is.

Het is niet met zekerheid te zeggen wie de auteur van de tekst was, maar Gesualdo gebruikte graag de gedichten van Torquato Tasso (1560 - 1595). Deze dichter was met hem bevriend en voorzag hem van veel teksten. Niet alleen om op muziek te zetten, maar ook over het leven van Gesualdo zelf. Diens levensloop sprak dan ook erg tot de verbeelding. In 1590 had hij zijn vrouw en haar minnaar vermoord, maar werd daarvoor om politieke redenen niet terechtgesteld. Gesualdo was ook Don Carlo, principe di Venosa, een machtig edelman en het was beter dat hij hertrouwde en zou blijven regeren. Voor zijn tweede vrouw had hij echter nog minder aandacht dan voor zijn eerste. Daarbij hield hij er vreemde gewoonten op na. Aan het eind van zijn leven konden de demonen die hem achtervolgden, volgens hem alleen verdreven worden als hij drie maal per dag hard geslagen werd door twaalf jonge mannen. Maar alle speculaties over zijn persoon doen niet ter zake als Moro, lasso klinkt. Een hoogtepunt in de madrigaalkunst. 


Moro, lasso

 

Moro, lasso, al mio duolo

E chi mi può dar vita,

Ahi, che m’ancide e non vuol darmi aita!

O dolorosa sorte,

Chi dar vita mi può, ahi, mi dà morte!

 

 

Ik sterf, helaas

Ik sterf, helaas, van smart,
En die me leven geven kon,
Ach, zij wenst me niet te helpen en brengt me om!
Oh, smartelijk lot,
Die me geven kon het leven, ach, zij brengt de dood.

 



Goffredo Petrassi

There was an old man of Spithead,

Who opened the window, and said, -

‘Fil-jomble, fil-jumble,

Fil-rumble-come-tumble!’

That doubtful old man of Spithead.

 

 

De illustrator en schrijver Edward Lear (1812-1888) bracht met

A Book of Nonsense (1846, 1855 en 1861) en More Nonsense Pictures, Rhymes Botany & c. (1872) de populariteit van de limerick tot ongekende hoogten. De term ‘limerick’ werd eigenlijk pas in 1896 voor het eerst gebruikt, maar in de Middeleeuwen kende men al een vergelijkbare versvorm en in de jaren twintig van de negentiende eeuw verschenen er boeken met zogenaamde ‘nonsense verses’, waarin de tegenwoordig bekende structuur al uitgekristalliseerd is. De versjes - aanvankelijk bedoeld voor kinderen - gingen in die tijd vergezeld van illustraties en Edward Lear zette deze traditie voort. Ook in zíjn werk vormen tekst en tekening een onafscheidelijk geheel. Zijn uitzonderlijke tekenstijl en de omvang van zijn boeken - telkens meer dan honderd gedichten - waren echter bijzonder.

Veel componisten hebben in de loop van deze eeuw gedichten van Edward Lear op muziek gezet. Goffredo Petrassi (1904) gebruikte de Italiaanse vertalingen van A Book of Nonsense en More Nonsense…van Carlo Izzo voor zijn a capella koorwerken Nonsense (1952) en Sesto non-senso (1964). Venus zingt de drie oneven nummers van de vijf limericks uit het eerste werk .

Goffredo Petrassi, die door geldgebrek pas op latere leeftijd onderwijs kon volgen, nam pas in 1925 compositielessen. In de jaren daarna bleek zijn talent snel in eerste uitvoeringen van korte werken. Tegenwoordig dateert Petrassi het serieuze begin van zijn oeuvre echter in 1933, toen hij zijn Ouverture da concerto reviseerde. Zijn muziek uit de jaren dertig is zeer expressief en harde dissonanten spelen hierin een belangrijke rol. Na de Tweede Wereldoorlog werden zijn composities introverter. Een melodieuze manier van componeren is een belangrijke constante in zijn oeuvre, die ook de basis vormt voor de beeldende verklanking van deze onzinnige teksten.

 


Nonsense

I

There was a young lady, whose nose,

Continually prospers and grows;

When it grew out of sight,

She exclaimed in a fright,

‘Oh! Farewell to the end of my nose!’

 

C’era una signorina il cui naso

Prospera e cresce come mai fu il caso;

Quando ne perse de vista la punta,

Esclamò tutta compunta:

‘Dio t’accompagni, o punta del mio naso!’

 

Er was een jonge dame, wiens neus

Continu groeide, 't is heus;

Toen ze 't eind niet meer zag,

Riep ze bang op die dag:

‘Oh, vaarwel lieve punt van mijn neus!’


III

There was an Old Man of Cape Horn,

Who wished he had never been born;

So he sat on a chair,

Till he died of despair,

That dolorous Man of Cape Horn.

 

C’era un vecchio di Rovigo

Cui doleva d’esser vivo;

Quindi, pressasi una sedia,

Vi morì sopra d’inedia,

Quel doloroso vecchio di Rovigo.

 

Er was een oude man in Cape Horn,

Die wenste dat hij nooit was gebor’n;

Daarom zat hij op een stoel,

Van verdriet werd hij koel,

Die wanhopige man in Cape Horn.

 

V

There was an old person of Stroud,

Who was horribly jammed in a crowd;

Some she slew with a kick,

Some she scrunched with a stick,

That impulsive old person of Stroud.

 

C’era una vecchia di Polla

Malamente pigiata tra la folla;

Alcuni ne uccise a pedate,

Altri schiacciò a bastonate,

Quell’impulsiva vecchia di Polla.

 

Er was een oude meid in Stroud,

Tussen mensen kreeg zij het benauwd;

Sommigen sloeg ze opzij

Met een stok, and’ren tot brij,

Die impulsieve oude meid in Stroud.

Vertaling: Bas Hagemeijer


Claudio Monteverdi

 

Claudio Monteverdi (1567-1643) arriveerde in 1589 in Mantua aan het hof van hertog Vincenzo Conzaga. Giaches de Wert was op dat moment maestro di capella van het hof dat het brandpunt van de nieuwste ontwikkelingen op muzikaal gebied was. Monteverdi’s roem steeg snel met de uitgave van zijn tweede (1590) en derde boek (1592) madrigalen voor vijf stemmen. Het duurde vervolgens elf jaar voor het vierde boek (1603) verscheen en men vermoedt dan ook dat die madrigalen in een periode van meerdere jaren voor 1603 zijn ontstaan.

In het madrigaal Sfogava con le stelle uit het vierde boek is de invloed van De Wert aanwijsbaar in de zogenoemde akkoordische recitatief stijl. Dit betekent dat alle vijf stemmen een zinsnede op één akkoord declameren, zonder dat er een ritme voor de woorden is voorgeschreven. Zo’n gedeelte is vertellend van karakter en vormt een sterk contrast met de meer virtuoze, contrapunctische passages. In deze delen zocht Monteverdi naar een meer beeldende expressie van het woord. De afwisseling, oftewel het steeds terugnemen van de spanning en het weer laten opbloeien in dichte polyfone passages intensiveert de emotionele lading.

 

Sfogava con le stelle

 

Sfogava con le stelle

un infermo d’amore

sotto notturno ciel

il suo dolore,

e dicea fisso in loro:

“O imagini belle

de l’idol mio ch’adoro,

sí com’a me mostrate

mentre cosí splendete

la sua rara beltate,

cosí mostraste a lei

I vivi ardori miei;

la fareste col vostr’aureo sembiante

pietosa sí come me fate amante”.

Een klacht kwam tot de sterren

van een liefdeszieke man;

onder de nachtelijke hemel

uitte hij zijn pijn,

en sprak tot hen de woorden:

“Oh, schone beeltenissen

van mijn aanbeden liefste,

zoals je mij

zo schitterend

haar bijzondere schoonheid toont,

toon zo ook aan haar

mijn hevig brandend vuur;

wek haar erbarmen met je gouden schijn, zoals je wekt mijn liefde.”


Lars Johan Werle

 

Het begin van Canzone 126 di Francesco Petrarca (1967) van de Zweedse componist Lars Johan Werle (1926) lijkt zo overgeschreven van een madrigaal van Gesualdo. Dit is dus geheel in de stijl van Petrarca's (1304 - 1374) tekst die Werle gebruikte. Maar al snel worden de woorden in deze polyfone compositie ook verklankt met modernere effecten, zoals clusters, glissandi en spreken of fluisteren. Ook worden lettergrepen van één woord nu en dan verdeeld over verschillende stempartijen, een idee dat Werle als eerste uitgebreid toepaste.

Het gebruik van een veelheid aan (avant-gardistische) stijlmiddelen binnen één compositie is kenmerkend voor Werle. In het verleden kreeg hij wel eens de kritiek te horen dat zijn muziek niet consequent zou zijn, maar Werle - die ook lange tijd als jazzpianist en producer actief is geweest en als self-made componist een brede blik heeft - vindt dat alle muzikale uitingsvormen die het publiek tegenwoordig kent, geschikt zijn om iets over te brengen. Ze kunnen uitstekend naast elkaar gebruikt worden. De communicatieve kracht wordt daar alleen maar groter door.

Werle beleefde zijn doorbraak in 1960 met het strijkkwartet Pentagram, waarin de invloed van de twaalftoonsmuziek van Anton Webern duidelijk hoorbaar is. Sindsdien heeft hij vooral veel vocale muziek geschreven, waaronder een aantal opera’s, maar componeerde hij bijvoorbeeld ook de muziek bij de films Vargtimmen (Hour of the Wolf) en Persona van Ingmar Bergman. Canzone 126 di Francesco Petrarca is de eerste uit een aanzienlijke reeks werken voor koor a capella.


Canzone 126 di Francesco Petrarca

 

Chiare, fresche e dolci acque,

ove le belle membra

pose colei che sola a me par donna;

gentil ramo, ove piacque,

con sospir mi rimembra,

 

a lei di fare al bel fianco colonna;

erba e fior che la gonna

leggiadra ricoverse

co l’angelico seno;

aere sacro sereno,

ove Amor co begli occhi il cor

                                      m’aperse:

date udienza insieme

a le dolenti mie parole estreme.

 

S’egli è pur mio destino

(e’l cielo in ciò s’adopra),

ch’Amor quest’occhi lagrimando

                                          chiuda,

qualche grazia il meschino

corpo fra voi ricopra,

e torni l’alma al proprio albergo

                                        ignuda;

la morte fia men cruda

se questa spene porto

a quel dubbioso passo;

ché lo spirito lasso

non porìa mai in più riposato proto

né in più tranquilla fossa

fuggir la carne travagliata e l’ossa.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tempo verrà ancor forse

ch’a l’usato soggiorno

 

t orni la fèra bella e mansueta

 

e là ‘v’ella mi scòrse

nel benedetto giorno

volga la vista disiosa e lieta,

cercandomi; e, o pièta!

 

già terra in fra le pietre

                             vedendo,

Amor l’ispiri

in guisa che sospiri

si dolcemente che mercé m’impetre,

e faccia forza al cielo

 

asciugandosi gli occhi col bel velo.

 

Da’ rami scendea,

(dolce ne la memoria),

una pioggia di fior sovra ‘l suo

                                           grembo;

ed ella si sedea

umile in tanta gloria,

coverta già de l’amoroso nembo:

qual fior cadea sul lembo,

qual su le treccie bionde,

ch’òro forbito e perle

eran quel di a vederle;

qual si posava in terra e qual su l’onde

qual con un vago errore

girando parea dir:

“Qui regna Amore.”

 

Quante volte diss’io

allor pien di spavento

“Costei per fermo nacque in

                                          paradiso!”

Cosi carco d’oblío

il divin portamento

e’l vólto e le parole e’l dolce riso

m’aveano, e si diviso

da l’imagine vera,

ch’i’ dicea sospirando:

“Qui come venn’io o quando?”

 

credendo esser in ciel,

non là dov’era.

Da indi in qua mi piace

 

quest’erba sì ch’altrove non ho pace.

 

Se tu avessi ornamenti quant’hai

                                               voglia,

poresti arditamente

uscir del bosco e gir in fra la gente.

 

Helder, fris en zoet water

waar zij, die voor mij de enige is,

haar ledematen neervleide,

lieflijke tak die,

zoals jij met jouw zuchten

                           in herinnering brengt,

haar lichaam steunde;

gras en bloemen die

door haar bekoorlijke rok

en haar engelenborst werden bedekt;

gewijde en heldere lucht,

waar Amor met zijn mooie ogen

                            m’n hart verwondde:

luistert jullie allen

naar mijn droeve laatste woorden.

 

Indien het werkelijk mijn lot is,

en de hemel wil

dat Amor deze wenende ogen sluit,

 

laat dan enig mededogen

dit arme lichaam met jullie* bedekken

en laat mijn ziel naakt naar de hemel

                                           terugkeren;

de dood zal minder wreed zijn

door de hoop die ik heb

bij het zetten van deze stap vol twijfel,

want mijn vermoeide geest

zal nooit naar een rustiger haven,

noch in een stiller graf

zijn gebroken lichaam kunnen

                                          ontvluchten.

 

 

 

 

 

 

 

 

Misschien zal de tijd nog komen

dat het schone en zachtmoedige

                                               diertje**

naar haar gebruikelijke verblijfplaats

                                        terugkeert.

en daar, waar zij mij zag

op die gezegende dag,

haar begeerde en vrolijke blik wendt,

op zoek naar mij; en, oh! wat een

                            droevig schouwspel!

als zij mij dan ziet wanneer ik reeds

stof tussen de stenen ben geworden,

laat Amor haar dan beroeren

op een wijze dat zij zoet genoeg zucht om genade voor mij af te smeken,

en de hemel tot vergiffenis te

                                     bewegen

terwijl ze haar ogen droogt

                          met haar mooie sluier.

Laat uit de takken neerdalen,

(zoet in de herinnering),

een bloemenregen boven haar schoot,

en laat zij daar zitten,

nederig in zoveel zoveel glorie,

bedekt door deze wolk;

één bloem viel op haar zoom,

een andere op haar blonde vlechten,

die er op die dag uitzagen

schitterend als gouden parels;

één bloem lag op de grond,

een andere op ’t water

en weer een andere leek,

zwevend door de lucht, te zeggen: “Hier heerst Amor!”

 

Hoeveel keer heb ik toen niet gezegd

vol schrik:

“Zij moet zeker in het paradijs

                                      geboren zijn!”

Zodanig deden mij alles vergeten

haar goddelijke houding

haar gelaat, woorden en zoete lach

en zo ver van de werkelijkheid

van haar ware persoon

dat ik al zuchtend sprak:

“Hoe ben ik hier gekomen en

                                       wanneer?”

want ik meende in de hemel te zijn

en niet waar ik echt was.

Sinds die tijd houd ik zo van die

                                                weide

dat ik nergens anders rust vind.

 

Als jij zoveel versieringen bezat

                                          als je wilde,

dan zou je niets vuriger verlangen

dan uit dit bos te treden

          en je onder de mensen begeven.

 

*   water, tak, gras, bloemen, lucht

** Laura

 

Vertaling: Kamerkoor Coqu

 

PAUZE


Gilles Binchois

 

Gilles Binchois (c. 1400-1460) werkte vanaf zijn zevenentwintigste aan het Bourgondische hof van Philips de Goede. Hij wordt vaak in een adem genoemd met zijn tijdgenoot Guillaume Dufay (c. 1400-1474). Maar terwijl Dufay een kosmopoliet was die in zijn werken vele stijlen en tradities verwerkte en verder uitbouwde, is Binchois’ muziek hét voorbeeld van de ‘klassieke’ Bourgondische stijl. Deze stijl kenmerkte zich door elegantie en ingetogenheid. Het onderwerp van Binchois’ chansons was altijd de hoofse liefde en zijn religieuze muziek was vooral zeer functioneel voor de liturgie: relatief kort en zeer verstaanbaar.

Binchois hanteerde in zijn chansons vormstructuren die al in de Middeleeuwen gangbaar waren. Voor zijn rondeau Amours merchi is dat de vorm ABaAabAB en voor zijn ballade Se la belle aabCaabC (letter = dezelfde muziek; hoofdletter = dezelfde tekst). Beide chansons zijn driestemmig met een discantus (hoge stem) die een kwint hoger ligt dan de twee onderstemmen. De middenstem vormt in gaaf contrapunt met de bovenstem het fundament, en de onderstem (contratenor) heeft een vrijere rol. Deze stem heeft vaak een grotere omvang en voegt in alle liggingen verrassende melodieën toe.

Musicologen nemen aan dat alleen de hoge stem de tekst voordroeg en dat de twee onderstemmen vaak gespeeld werden door een blokfluit, vedel of luit. Aangezien in de Bourgondische stijl het muzikale evenwicht prevaleerde boven de emotionele expressie van het woord, zal het verschil in tekst tussen het diep bedroefde Se la belle en het intens gelukkige Amours merchi voor de hedendaagse luisteraar moeilijk waarneembaar zijn.


Se la belle

 


Se la belle n’a voloir

D’alegier mon piteux martire,

Il ne m’est nul besong de rire

Pour le mal qui me fait doloir;

 

Car je n’ay cuer, corps ne povoir

Qui puist a tel dolour souffrire

Se la belle n’a voloir

D’alegier mon piteux martire.

 

Et, pour la verité savoir,

A toute heure mon mal empire

Dont je m’en vois de droite tire

Ma mort prochaine rechevoir.

 

Se la belle n’a voloir

D’alegier mon piteux martire,

Il ne m’est nul besong de rire

Pour le mal qui me fait doloir.

Als de schone mijn beklagenswaardige

Pijn niet wenst te verzachten,

Helpt er gaan lachen aan

De pijn die mij kwelt;

 

Want ik heb niet het hart, het lijf of de kracht

Om zulk een leed te dragen

Als de schone mijn beklagenswaardige

Pijn niet wenst te verzachten.

 

En, als u de waarheid wilt weten,

Mijn lijden wordt elk uur groter,

Dus ik nader met rasse schreden

Mijn voortijdige dood.

 

Als de schone mijn beklagenswaardige

Pijn niet wenst te verzachten,

Helpt er geen lachen aan

De pijn die mij kwelt.

 


Amours merchi

 

Amours, merchi de trestout mon pooir

Tant que je puis, quant il ma fait choisir,

A tres douchement et tout a mon voloir,

Agatie m’a un tres riche plaisir.

C’est cune fois que j’en ay souvenir,

Le cuer de moy devient tout joieux.

Prendre ne puis nul espoir doloreux

Si richement l’ay choysi a mon gré

Et par amours que le m’a comandé.

 

Ik dank de Liefde met heel mijn hart

Zo vaak als ik kan, want zij deed me kiezen.

Uiterst aangenaam en geheel naar mijn wens

Verraste zij me met een rijk genoegen.

Telkens als ik daaraan terugdenk

Springt mijn hart op van blijdschap.

Ik hoef niet meer te wanhopen,

Zozeer van harte heb ik mijn keus gemaakt,

Ook voor de Liefde, die mij dit opdroeg.

 

Et puisqu’amours veult mon cuer es mon veir

D’estre loial et de bien obeir

Ce le pars que tant de biens puis avoir,

Que par rayson il me doit bien souffrir

Comment d’onques pouraige defallir

Que debeir ne fuisse bien soingneux

De plus doulce ne puis estre amoureux

Que de celuy qui ne suis donné

Et par amours que le m’a comandé.

 

En daar de Liefde mijn hart wenst te bewegen

Loyaal te zijn en gehoorzaam aan

Haar, die zoveel goeds brengt,

Daar het juist is dat ik moet lijden,

Hoe zou ik kunnen veinzen

Dat ik niet met graagte gehoorzaam?

Ik kan van geen zoeter vrouwe houden

Dan van haar, aan wie ik mijzelf heb gegeven.

Ook voor de Liefde, die mij dit opdroeg.

 


Michael Fletcher

 

De Amerikaanse componist Michael Fletcher (1972) woont in de staat Missouri, waar hij ook werd geboren. Hij studeerde compositie aan de Southwest Missouri State University bij John Prescott. Het jaarlijkse nieuwe-muziekfestival van zijn universiteit stelde hem in staat cursussen te volgen bij de Amerikaanse componisten John Corigliano, Todd Levin, Robert Kogan, and Eric Ewazen. In 1994 kreeg zijn compositie voor koor songs (3) to teXts by e.e. cummings, de eerste prijs van de Southwestern American Choral Director's Association student composer contest. Fletcher won met die compositie ook de collegeprijs van de Music Teacher's National Association.

Als koorzanger was Fletcher in 1997 lid van het World Youth Choir in Japan. Hij studeert op dit moment koordirectie aan de universiteit waar hij ook zijn graad in compositie behaalde.

 

Oscar Vladislas de Lubicz Milosz en zijn gedicht H

 

Het gedicht H (1918) dat Fletcher voor venus toonzette is een karakteristiek voorbeeld van Milosz late werk. Waarschijnlijk is het gedicht een resultaat van een mystieke gebeurtenis die de dichter in de nacht van 14 december 1914 onderging. Franse taalkundigen verwijzen hiernaar als Milosz’ nacht van verlichting en trekken een vergelijking met Blaise Pascals nacht van vuur in 1654. Milosz beschouwde zich na zijn ervaring, totdat hij 18 jaar later stopte met dichten, als ‘ingewijde’. Zijn gedichten werden in die periode steeds hermetischer.

Milosz (1827-1939) werd geboren in Litouwen, maar groeide op in Frankrijk. Hij verkoos later om daar te blijven wonen en publiceerde in het Frans. Hij was dichter, toneelschrijver, vertaler en diplomaat van de net onafhankelijk geworden republiek Litouwen. Milosz maakte ook op scherpzinnige wijze studie van de metafysica, de hermetische doctrine en de Joodse mystiek. Deze kennis culmineerde in twee monumentale filosofische werken Ars Magna en Les Arcanes.


H

 

Le jardin descend vers la mer. Jardin pauvre, jardin sans fleurs, jardin Aveugle. De son banc, une vieille vêtue

De deuil lustré, jauni avec le souvenir et le portrait,

Regarde s’effacer les navires du temps. L’ortie, dans le grand vide

 

De tuin loopt af naar de zee. Arme tuin, tuin zonder bloemen, blinde

Tuin. Vanaf haar bankje kijkt een oudje, gekleed

In glimmende rouw, vergeeld als herinnering en portret,

Hoe de schepen van de tijd uitvaren. De brandnetel, in de grote leegte

 

De deux heures, velue et noire de soif, veille.

Comme du fond du cœur du plus perdu des jours, l’oiseau

De la contrée sourde pépie dans le buisson de cendre.

C’est la terrible paix des hommes sans amour. Et moi,

 

Van twee uur, harig en zwart van de dorst, waakt.

Als van de bodem van het hart van de meest verlorene ooit

Piept het vogeltje van de streek in struiken van as.

Het is de vreselijke stilte van mensen zonder liefde. En ik,

 

Moi je suis là aussi, car ceci est mon ombre; et dans la triste et basse

Chaleur elle a laissé retomber sa tête vide sur

Le sein de la lumière; mais

Moi, corps et esprit, je suis comme l’ammare

 

Ik ben daar ook, want dit is mijn schaduw; en in de trieste en lage

hitte heeft zij haar lege hoofd op

De boezem van het licht laten vallen; maar

Ik, lichaam en geest, ik ben als de scheepstros

 

Prête à rompre. Qu’est-ce donc qui vibre ainsi en moi,

Mais qu’est-ce donc qui vibre ainsi et geint je ne sais où

En moi, comme la corde autour de cabestan

Des voiliers en partance? Mère

 

Die op breken staat. Wat is het dat zo trilt in mij,

Wat is het toch dat zo trilt en kreunt, ik weet niet waar

In mij, als de lijn om de windas

Van zeilschepen bij vertrek? Moeder,

 

 

Trop sage, éternité, ah laissez-moi vivre mon jour!

Et ne m’appelez plus Lémuel; car là-bas

Dans une nuit de soleil, les paresseuses

Hèlent, les îles de jeunesse chantantes et voilées! Le doux

 

Te wijze moeder, eeuwigheid, oh laat me mijn dagen!

En noem me niet langer Lémuel; want daarginds,

In een zonverlichte nacht, roepen de lome vrouwen

de zingende, gesluierde eilanden van de jeugd aan! Het zachte,

 

Lourd murmure de deuil des guêpes de midi

Vole bas sur le vin et il y a de la folie

Dans le regard de la rosée sur les collines mes chères

Ombreuses. Dans l’obscurité religieuse les ronces.

 

Zware prevelen van rouw van de middagwespen

Drijft laag op de wijn, en er is waanzin

In de aanblik van de nevel op de heuvels, mijn geliefde

Schaduwrijken. In de religieuze duisternis

 

Ont saisi le sommeil par ses cheveeux de fille. Jaune dans l’ombre

L’eau respire mal sous le ciel lourd et bas des myosotis.

Cet autre souffre aussi, blessé comme le roi

Du monde, au côté; et de sa blessure d’arbre

 

Hebben de bramen de slaap bij haar meisjeshaar gegrepen.

                                                                                 Geel in de schaduw

Ademt moeizaam het water onder de zware, lage hemel van

vergeet-me-nietjes.

Die ander lijdt ook, gewond als de koning

Der wereld, in de zij; en uit zijn boomwond

 

S’écoule le plus pur désaltérant du cœur.

Et il y a l’oiseau de cristal qui dit mlî d’une gorge douce

Dans le vieux jasmin somnambule de l’enfance.

J’entrerai là en soulevant doucement l’arc-en-ciel

 

Vloeit de meest pure dorstlesser van het hart.

De kristallen vogel is er, hij fluit fiet met zachte stem

In de oude, onbewuste jasmijn uit de kindertijd.

Ik zal daar binnengaan, voorzichtig de regenboog optillend,


Et j’irai droit à l’arbre l’épouse éternelle

Attend dans les vapeurs de la patrie. Et dans les feux du temps apparaîtront

Les archhipels soudains, les galères sonnantes -

Paix, paix. Tout cela n’est plus. Tout cela n’est plus ici, mon fils Lémuel.

 

En ik zal direct gaan naar de boom die de eeuwige bruid

Wacht in de mist van het vaderland. En in de vuren der tijden

Zullen de plotse archipels verschijnen, de trommelende slaven -

Vrede, vrede. Dat alles is niet meer. Dat alles is niet meer hier, mijn

 zoon Lémuel.

 

Les voix que tu entends ne viennent plus des choses.

Celle qui a longtemps vécu en toi obscure

T’appelle du jardin sur la montagne! Du royaume

De l’autre soleil! Et ici, c’est la sage quarantième

 

De stemmen die je hoort zijn niet meer van de dingen.

Zij die zo lang zo donker in jou heeft geleefd

Roept je vanuit de tuin op de berg. Vanuit het koninkrijk

Van de andere zon! En dit hier is het wijze veertigste

 

Année, Lémuel.

Le temps pauvre et long.

Une eau chaude et grise.

Un jardin brûlé.

 

Jaar, Lémuel.

De arme, lange tijd.

Een water warm en grijs.

Een verbrande tuin.

 


Claude Debussy

 

Vanaf het moment dat Claude Debussy (1862 - 1918) op elfjarige leeftijd aan het conservatorium van Parijs begon te studeren had hij één doel: het behalen van de Prix de Rome. Met het winnen van deze prijs zou hij beroemd worden en drie jaar lang kunnen werken in de Villa Medici in Rome. Helaas maakte hij het zichzelf niet makkelijk met zijn recalcitrante houding tijdens de compositielessen. Debussy weigerde zich te houden aan wetten van de klassieke harmonie en bedacht zijn eigen combinaties van akkoorden. Zijn eerste poging - Printemps voor vrouwenkoor a capella - werd door de jury als onvolwassen terzijde geschoven. Het jaar daarop probeerde hij het met Invocations voor mannenkoor a capella, wat hem de vierde plaats opleverde. In 1884 werd hij eindelijk eerste met een cantate en mocht hij naar Rome. Het viel hem allemaal erg tegen. Na er twee jaar ‘in gevangenschap’ te hebben doorgebracht vluchtte hij voortijdig terug naar Parijs. Hij had een lage dunk van de waarde van de prijs voor het muziekleven gekregen en meende dat een dergelijk certificat d’imagination de mensheid met een hoop slechte muziek zou opzadelen.

Toch maakte Debussy in die jaren in Rome kennis met koorwerken uit de Renaissance. Indrukken die hij daar opdeed zouden belangrijk zijn voor zijn latere werk. De muziek die hij sinds die tijd componeerde laat meer en meer elementen horen die vooruit wijzen naar zijn Prélude à l’apres-midi d’un faune (1892 - 94) waarmee hij op schokkende wijze het grote publiek met een geheel nieuwe muzikale wereld confronteerde. Zijn werken verschilden zo van wat men tot dan toe gewend was, dat er een naam aan gegeven moest worden. Debussy werd de grondlegger van het impressionisme in de muziek. Zelf verafschuwde hij de term.

Na zijn conservatoriumjaren schreef Debussy nog maar zelden voor koor a capella. Trois chansons de Charles d’Orleans (1908) is zelfs het enige werk voor deze bezetting dat tijdens zijn leven gepubliceerd werd. Op drie gedichten van D’Orleans (1391 - 1465) laat het een combinatie horen van zijn nieuwe harmonische effecten en een lineaire schrijfwijze die teruggrijpt op de Renaissance.


Trois Chansons

 

Dieu! qu’il la fait bon regarder!

Dieu! qu’il la fait bon regarder

La gracieuse bonne et belle;

Pour les grans biens que sont en elle

Chascun est prest de la loüer.

Qui se pourroit d’elle lasser?

Tousjours sa beauté renouvelle.

Par de ça, ne de là, la mer

Ne scay dame ne damoiselle

Qui soit en tous bien parfais telle.

C’est ung songe que d’i penser:

 

Dieu! qu’il la fait bon regarer!

 

Quant j’ai ouy le tabourin

Quant j’ai ouy le tabourin

Sonner, pour s’en aller au may,

 

En mon lit n’en ay fait affray

Ne levé mon chief du coissin;

En disant: il est trop matin

Ung peu je me rendormiray:

 

Quant j’ai ouy le tabourin

Sonner pour s’en aller au may,

 

Jeunes gens partent leur butin;

De non chaloir m’accointeray

 

A lui je m’abutineray

Trouvé l’ay plus prouchain voisin;

 

Quant j’ai ouy le tabourin

Sonner pour s’en aller au may,

 

En mon lit n’en ay fait affray

Ne levé mon chief du coissin.

 

 

 

 

Yver, vous n’estes qu’un villain

Yver, vous n’estes qu’un villain;

Esté est plaisant et gentil

en témoing de may et d’avril

qui l’accompaignent soir et main.

Esté revet champs, bois et fleurs

de sa livrée de verdure

et de maintes autre couleurs

par l’ordonnace de nature.

 

Mais vous, Yver, trop estes plein

de nège, vent, pluye et grézil.

On vous deust banir en éxil.

Sans point flater je parle plein:

Yver, vous ne’estes qu’un villain.

 

 

 

God heeft haar zo mooi gemaakt,

Mijn fijne, goede en mooie lief;

Iedereen roemt haar graag

Om haar goede eigenschappen.

Wie krijgt ooit genoeg van haar?

Haar schoonheid is steeds weer nieuw.

Noch hier noch overzee

Ken ik een meisje

Dat zo volkomen is in ieder opzicht.

Alleen aan haar denken is al een

                                              droom.

God heeft haar zo mooi gemaakt.

 

 

Toen ik de trommel ’s morgens hoorde

                                                  slaan

Om naar de Mei te gaan

Luisterde ik niet, vanuit mijn bed

En hief mijn hoofd niet van het kussen

Ik zei bij mijzelf: “’t Is nog te vroeg

Ik draai me nog eens om.”

 

Toen ik de trommel ’s morgens hoorde

                                                  slaan

Om naar de Mei te gaan

De jongelui delen hun buit

Maar ik zal mij hullen in

                                   onverschilligheid

Er is niets wat ik nog begeer

Dat is mijn buit ik hoef niet meer.

 

Toen ik de trommel ’s morgens hoorde

                                                   slaan

Om naar de Mei te gaan

Luisterde ik niet vanuit mijn bed

En hief ik mijn hoofd niet van het

                                                   kussen.

 

 

 

 

Winter jij bent een vuile hond!

De zomer is heerlijk en lief

kijk maar naar mei en april

die alle uren bij hem zijn.

Zomer bekleedt bos en veld

met haar kleed van groen

en van vele andere kleuren

op aanwijzing van de natuur.

 

Maar jij, maar jij , maar jij winter!

Jij bent maar vol van sneeuw, sneeuw,

                                     wind en ijzel!

Ik neem geen blad meer voor de mond:

winter je bent een vuile hond!

 

Vertaling: Gerrit Jan Fonk

 


Francis Poulenc

 

Hoewel Francis Poulenc (1899 - 1963) enige tijd compositielessen volgde bij Charles Koechlin (1867 - 1951), was hij als componist eigenlijk autodidact. Door - op ironische wijze - stijlvormen te imiteren ontwikkelde hij gaandeweg een idioom dat zeer persoonlijk en altijd duidelijk herkenbaar is. Poulenc had duidelijke ideeën over de muziek die hij wilde schrijven en in de jaren na de Eerste Wereldoorlog vond hij in vijf andere componisten medestanders in het nastreven van zijn ideaal: afstand doen van de overdreven emoties uit de negentiende eeuw en de zweverigheid van het impressionisme. Als ‘Les Six’ vormden ze een informeel gezelschap dat Erik Satie (1866 - 1925) en het dadaïsme als voorbeelden nam. De artistieke meningen over kale muziek met eindeloze herhalingen bleken echter te zeer verdeeld en de groep werd al snel opgeheven. Naast Poulenc hebben daarna alleen Arthur Honegger (1892 - 1955) en Darius Milhaud (1892 - 1974) internationaal naam gemaakt.

Van de zes bleef Poulenc nog het meest in de beoogde stijl van ‘Les Six’ componeren. Dramatiek blijft in zijn muziek altijd binnen de perken en invloeden van ballroommuziek en jazz ontzenuwen serieuze momenten. Hierdoor vond menigeen dat zijn composities weinig diepgang toonden. Vanaf de jaren dertig werden zijn werken echter ingetogener en bleek dat hij met zijn stijl veel meer uit kon drukken dan vrolijkheid en ironie. Sept chansons (1936) componeerde Poulenc op sombere surrealistische teksten uit La vie immédiate (1932) van zijn vriend Paul Eluard (1895 - 1952), die zich door hun dubbelzinnigheid perfect lenen voor zijn muziek. Voor het eerste en zesde chanson koos hij teksten van Guillaume Apollinaire (1880 - 1918) uit diens collectie Alcools, poèmes (1898 - 1913). Ze geven met hun wat lichtere toon tegenwicht aan de donkere teksten van Eluard.


Sept Chansons

 

La blanche neige

Les anges dans le ciel

L’un est vêtu en officier,

L’un est vêtu en cuisinier

Et les autres chantent.

Bel officier couleur du ciel

Le doux printemps longtemps après

                                           Noël

Te médaillera d’un beau soleil.

Le cuisinier plume les oies.

Ah! Tombe neige,

Tombe et que n’ai je

Ma bien-aimée entre mes bras.

 

A peine défigurée

Adieu tristesse. Bonjour tristesse.

 

Tu es inscrite dans les lignes du

                                    plafond.

Tu es inscrite dans les yeux que

                                     j’aime.

Tu n’es pas tout à fait la misère,

car les lèvres les plus pauvres te

                                dénoncent

par un sourire.

Bonjour, tristesse.

Amour des corps aimables.

Puissance de l’amour

Dont l’amabilité surgit.

Comme un monstre sans corps.

Tête désappointée.

Tristesse, beau visage.

 

Par une nuit nouvelle

Femme avec laquelle j’ai vécu,

Femme avec laquelle je vis,

Femme avec laquelle je vivrai,

Toujours la même, la même.

Il te faut un manteau rouge,

Des gants roug’ un masque rouge.

Il te faut des bas noirs.

Des raisons des preuves,

De te voir toute nue.

Nudité pure, ô parure parée.

Seins, ô mon cœur.

 

Tous les droits

Simule

L’ombre fleurie des fleurs

        suspendues au printemps,

Le jour le plus court de l’année

                et la nuit esquimau.

L’agonie des visionnaires de

                        l’automne,

L’odeur des roses,

      la savante brûlure de l’ortie.

Entends des linges transparents,

Dans la clairière de tes yeux.

Montre les ravages du feu,

           ses œuvres d’inspiré,

Et le paradis de sa cendre,

Le phénomène abstrait, luttant

      avec les aiguilles de la pendule.

Montre, les blessures de la vérité,

Montre, les serments qui ne plient

                  pas, montre toi.

Tu peux sortir en robe de cristal,

Ta beauté continue.

Tes yeux versent des larmes,

              des caresses, des sourires.

Tes yeux sont sans secret, sans

                                 limites.

Simule l’ombre fleurie des fleurs

           suspendues au printemps.

 

Belle et ressemblante

Un visage à la fin de jour,

Un berceau dans les feuilles mortes

                                      du jour.

Un bouquet de pluie nue,

Tout soleil caché,

Toute source des sources au fond

                                     de l’eau.

Tout miroir des miroirs brisés.

 

Un visage dans les balances

                                 du silence.

Un caillou parmi d’autres cailloux

Pour les frondes

         des dernières lueurs du jour.

Un visage semblable à tous les

                       visages oubliés.

Un berceau dans les feuilles

                                      mortes,

un bouquet de pluie nue.

Tout soleil caché.

 

Marie

Vous y dansiez petite fille

Y danserez vous mère grand

C’est la maclotte qui sautille

Toute les cloches sonneront

Quand donc reviendrez-vous

                                       Marie.

Des masques sont silencieux

Et la musique est si lointaine

Qu’elle semble venir des cieux

Oui je veux vous aimer,

               mais vous aimer à peine

Et mon mal est délicieux.

Les brebis s’en vont dans la neige

Flocons de laine et ceux d’argent

Des soldats passent et que n’ai-je

Un cœur à moi ce cœur changeant

changeant et puis encor que sais-je.

Sais-je où s’en iront tes cheveux

Crépus comme mer qui moutonne

Et tes mains feuilles de l’automne

Que jonchent aussi nos aveux.

Je passais au bord de la Seine

Un livre ancien sous le bras

Le fleuve est pareil à ma peine

Il s’écoule et ne tarit pas

Quand donc finira la semaine.

Quand donc reviendrez-vous

                                          Marie...

 

Luire

Terre irréprochablement cultivée,

Miel d’aube, soleil en fleurs,

Coureur tenant encore par un fil au

                                    dormeur.

(Nœud par intelligences)

Et le jetant sur son épaule:

“Il n’a jamais été plus neuf,

Il n’a jamais été si lourd.”

Il sera plus léger,

Usure,

Utile.

Clair soleil d’été avec,

Sa chaleur, sa douceur,

Sa tranquillité.

Et, vite,

Les porteurs de fleurs en l’air

                            touchent la terre.

Terre irréprochablement cultivée,

Miel d’aube, soleil en fleurs,

coureur tenant encore par un fil au

                             dormeur.

Clair soleil d’été.

De witte sneeuw

De engelen in de hemel

De een is als officier gekleed,

De ander is als kok gekleed

En de anderen zingen.

“Mooie officier in hemelkleur

De zoete lente speldt je lang na Kerst

 

Een fraaie zonnemedaille op.”

De kok plukt de ganzen.

Kijk daar valt de sneeuw

En waarom nu, heb ik

Mijn lief niet in mijn armen.

 

Nauwelijks misvormd

Vaarwel bedroefdheid.

      Wees gegroet bedroefdheid.

Jij staat gekerfd in de lijnen van ’t

                                      plafond.

Jij staat gekerfd in de ogen van mijn lief.

 

Toch ben je niet als ellende,

Want zelfs de armste lippen

 

Verraden je met een glimlach.

Wees gegroet, bedroefdheid

Liefde van lieve lijven.

Kracht van de liefde,

Waarvan de aanvalligheid verrijst.

Als een beest zonder lijf.

Pruilerig hoofd.

Bedroefdheid, mooi gezicht.

 

Op zekere nieuwe nacht

Vrouw met wie ik leefde,

Vrouw met wie ik leef,

Vrouw met wie ik zal leven,

Immer dezelfde, dezelfde.

Je moet een rode mantel aan,

Rode handschoenen, ’n rood masker.

Je moet zwarte kousen aan.

Redenen, tekenen,

Waarom ik je naakt wil zien.

Pure naaktheid, o getooide versiering.

Borsten, o mijn hart.

 

Alle rechten

Verbeeld

De kleurige schaduw der bloemen, aan

                     de lente opgehangen

De kortste dag van het jaar,

                      en de eskimo-nacht

De doodstrijd van de zienders van de

                                              herfst

De geur van rozen,

       het wilde branden van de netel.

Spreid doorzichtig linnen

In de schittering van je ogen.

Toon - de schade die het vuur aanricht,

        de werken van zijn inspiratie

En het paradijs van zijn as

Het onbelichaamde verschijnsel dat met

            de wijzers van de klok strijdt

Toon - de kwetsuren van de waarheid

Toon - de preken die niet buigen toon je.

 

Al ga je in kristal gekleed,

Je schoonheid blijft,

Jouw ogen plengen tranen,

               liefkozingen, ’n glimlach

Jouw ogen zijn zonder geheimen zonder

                                              grenzen.

Verbeeld de schaduw der bloemen

          opgehangen aan de lente.

 

Mooi en gelijkend

Een gezicht bij het eind van de dag,

Een wieg in de dode bladeren

                                  van de dag.

Een boeket naakte regen,

Helemaal gedekte zon,

Helemaal bron van bronnen op de bodem

                                  van het water.

Helemaal spiegel van gebroken spiegels.

 

Een gezicht in de weegschalen

                                       der stilte.

Een kiezel tussen andere kiezels.

Voor de slingers

         van de laatste stralen licht.

Een gezicht als alle die vergeten zijn

 

Een wieg in de vallende bladeren,

 

een boeket naakte regen.

Helemaal bedekte zon.

 

Marie

U danste er als kleine meid

Danst u er nog als oude vrouw?

’t is de maclotte die daar huppelt

en alle klokken zullen luiden:

Wanneer kom je weer terug Marie.

 

Maskers lopen zwijgend langs

en de muziek is zo veraf

dat het lijkt of hij uit de hemel komt.

Ja, jou beminnen wil ik,

        als het maar niet teveel is

want mijn pijn is dan honigzoet

De schapen gaan weg in de sneeuw

vlokken van wol en van zilver.

Soldaten trekken voorbij en had ik maar

een hartje voor mijn grillig hart.

Wel grillig, verder, weet ik veel

Weet ik waar jouw haar heen zal gaan

gevlokt als het schuim der zee

en je handen bladeren in de herfst

bezaaid met geheimen van ons hart.

Ik liep langs de oever van de Seine

een oud boek onder mijn arm

De rivier is als mijn verdriet

hij stroomt altijd voort en droogt niet op

Wanneer toch is de week voorbij.

Wanneer toch kom je weer terug,

                                               Marie...

 

Schitteren

Onberispelijk bebouwd land

Honing van de dageraad, bloeiende zon,

Bode, die met een draad nog aan de

                                 slaper hangt

(Bond van wederzijds begrip)

Tilt de zon op haar schouders:

Zij is nog nooit zo nieuw geweest

Zij is nog nooit zo zwaar geweest

Straks zal zij lichter zijn

Slijtage,

Nuttig.

Heldere zomerzon met

Haar warmte, haar mildheid,

Haar rust

En, snel,

zijn de bloemdragers in de lucht verwant

                                  met de aarde.

Onberispelijk bebouwd land

Honing van de dageraad, bloeiende zon

Bode met een draad vast aan de slaper

 

Heldere zomerzon.

 

Vertaling: Rein de Vries

 


Kamerkoor VENUS

 

Venus is een kamerkoor van ongeveer 25 leden, dat in 1982 ontstond uit het Vocaal Ensemble Utrechtse Studenten. Het koor voert vaak nieuwe, twintigste-eeuwse muziek uit en probeert daarbij een brug te slaan tussen gevestigd repertoire en moderne (opdracht)-composities. Venus voert twee programma's per jaar uit, waarbij vooral in het juni-programma de hedendaagse koormuziek een centrale plaats heeft.

Meestal treedt venus op als a capella koor, maar ook voert het koor soms werken uit met instrumentale begeleiding en vocale solisten. De afgelopen jaren heeft venus de premières verzorgd van composities die (vaak in opdracht) waren geschreven door Hans Koolmees, Lowell Dijkstra, Calliope Tsoupaki, Nathalie Boogers, Joost Kleppe en Carlos Micháns. Venus  zong onder leiding van Bruno de Greeve en Daniël Reuss. Sinds september ’98 is Peter Dijkstra vaste dirigent.

 

Peter Dijkstra

 

Peter Dijkstra (1978) begon op jonge leeftijd met zingen in het Roder Jongenskoor. Tot zijn stemmutatie nam hij de meeste solopartijen voor zijn rekening en trad hij vaak op als solist. In 1987 werkte hij mee aan een productie van Mozarts Die Zauberflöte bij de Nederlandse Operastichting, waar hij in een geënsceneerde uitvoering de rol van ‘Erster Knabe’ zong. Verder werkte hij als jongenssopraan samen met onder andere Gustav Leonhardt, Sigiswald Kuyken en Max van Egmond in een volledige serie Bachcantates in Amsterdam (‘Bach op Zondag’).

Momenteel studeert hij aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag met als hoofdvakken koordirectie en solozang (bij respectievelijk Jos van Veldhoven en Jos Vermunt, en Meinard Kraak). Hij is dirigent van het Nationaal Kinderkoor, het Leiderdorps Kamerkoor, Vocaal Ensemble venus uit Utrecht, de mannengroep Men Only uit Roden en projectkoor Schola Cantorum Rhodensis. Verder is hij actief als repetitor van het Nederlands Studenten Kamerkoor. In maart 1999 was hij gastdirigent aan het Conservatoire Nationale Supérieure de Musique te Lyon, waar hij de Mattheüs Passion van Bach uitvoerde in een samenwerkingsproject met het conservatorium van Parijs.

Naast verscheidene solistische optredens zingt hij regelmatig in ensembles als het Huelgas Ensemble, Collegium Vocale Gent, Capella Amsterdam en de Nederlandse Bachvereniging. Hij zong onder dirigenten als Philippe Herreweghe, Paul van Nevel, Paul McCreesh en Ivan Fischer. In 1997 en 1998 was hij tevens lid van het Wereld Jeugd Koor, dat concerteerde in Japan, Taiwan en de Filippijnen.

 

Tenor gezocht

 

Venus heeft nog plaats voor enkele tenoren. Wie komt ons versterken of weet een tenor die graag wil meezingen?

Contactpersonen:

Monique Janssens (voorzitter), tel. 030-272 24 71, e-mail: jtp@knoware.nl

Liesbeth van Eijndhoven (secretaris), tel. 030-276 11 99

 


Leden van venus

 

Sopranen

Cinta de Bats

Edith van Eijndhoven

Marilin Elsenaar

Monique Janssens

Carolien Krikhaar

Natascha Morsink

Janneke Verloop

 

Alten

Jetske Drijver

Liesbeth van Eijndhoven

Saskia Hallenga

Karina Hendriks

Mariët van Linschoten

Hilde Wijers

Tenoren

Hilair Balsters

Koert Braches

Vincent Jonker

 

Bassen

David Boersma

Dick Bruinsma

Bas Hagemeijer

Willem Hoekstra

Rik Kaarsgaren

Wim Köhler

Han Verhaegh

 

 

 

 

 

 

 

Dit concert kwam mede tot stand door bijdragen van:

 

Carel Nengerman Fonds

Elise Mathilde Fonds

K.F. Hein Fonds

VSB Fonds


 

 


Voorts ontvangt het koor regelmatig steun van:

 

AnjerfondsUtrecht

Fentener van Vlissingen Fonds

Gemeente Utrecht

Kien-Subsidies

M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en wetenschappen (PUG)


Venus-vriend

Venus brengt ieder jaar twee concertseries, waarvoor het koor financiële steun van subsidiënten krijgt. Deze subsidies zijn niet kostendekkend, zodat het koor graag een beroep doet op onze enthousiaste luisteraars om ons financieel te steunen. Met uw steun kan venus compositieopdrachten verstrekken aan jonge componisten en bladmuziek aanschaffen.

U kunt venus-vriend worden door per jaar minimaal ƒ 35,- over te maken op gironummer 4251522 t.n.v. venus, Utrecht. Ook kunt u bij de kassa van deze concertzaal een acceptgiro invullen. Als vriend krijgt u informatie over alle concerten toegestuurd en u krijgt korting op uw kaartje voor het concert.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kamerkoor venus

Postbus 521

3500 AM Utrecht

e-mail: fi.uu.nl/~vincent/venus

 

 

 

Teksten:             Bas Hagemeijer, Han Verhaegh

Advertenties:      Jetske Drijver

Productie:           Cinta de Bats